ECLI:NL:CBB:2022:586

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 september 2022
Publicatiedatum
1 september 2022
Zaaknummer
21/1017
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2.1 Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19Art. 2.2.2 Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19Art. 2.2.3 Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19Art. 2.2.3a Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19Art. 2.2.3b Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens niet voldoen aan voorwaarden

Appellant vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021. De aanvraag werd afgewezen omdat niet voldaan werd aan de voorwaarde dat de vaste lasten minimaal € 1.500,- bedragen en het omzetverlies ten minste 30% moet zijn. Appellant betoogde dat de gehanteerde referentieperiode (Q1 2019) niet representatief was vanwege een sabbatical na verkoop van zijn cafetaria en stelde voor een andere referentieperiode te gebruiken.

Verweerder wees erop dat de regeling een forfaitair systeem hanteert waarbij vaste lasten worden berekend op basis van omzet in de referentieperiode en een sectorpercentage, zonder ruimte voor afwijkingen behalve voor starters. Het College bevestigde dat de regeling geen hardheidsclausule kent en dat de gekozen systematiek niet willekeurig is, ook niet in het licht van het gelijkheidsbeginsel.

Het College oordeelde dat appellant geen bijzondere omstandigheden had die een uitzondering rechtvaardigen en dat verweerder terecht geen afwijking kon maken van de referentieperiode of de forfaitaire berekening. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag TVL Q1 2021 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/1017

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2022 in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [woonplaats] , appellant

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. M. van den Brink).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Bij besluit van 20 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2022. Appellant was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Aanleiding voor deze procedure
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL voor Q1 2021. Tot eind 2018 dreef appellant een cafetaria en had hij daarnaast een frietwagen waarmee hij caterde bij evenementen. Omdat die combinatie hem te zwaar werd heeft hij zijn cafetaria beëindigd. Vanaf het eerste kwartaal van 2019 had hij alleen zijn frietwagen. Hij heeft, in zijn eigen woorden, dat kwartaal een beetje een sabbatical genomen en daarom weinig omzet gehad in dat kwartaal.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen – en die afwijzing in bezwaar gehandhaafd – omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de vaste lasten ten minste € 1.500,- bedragen.
De vaste lasten worden berekend door de omzet in de referentieperiode (Q1 2019) te vermenigvuldigen met een vastgesteld percentage behorend bij de SBI-code van de onderneming. Uit de TVL volgt dat er geen rekening wordt gehouden met de werkelijke vaste lasten. Daarnaast biedt de TVL geen mogelijkheid om af te wijken van de standaard referentieperiode, behalve voor starters. Omdat appellant geen starter is, kan verweerder geen uitzondering maken.
Standpunt appellant
4. Appellant stelt dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met (onder andere) het gelijkheidsbeginsel. Hij betwist niet dat hij, op grond van de berekeningsmethode die uit de TVL volgt, niet in aanmerking komt voor subsidie. Hij betoogt echter dat deze uitkomst in zijn geval oneerlijk is. In het eerste kwartaal van 2019 had hij bijna geen omzet, omdat hij toen net zijn cafetaria had verkocht en even een paar maanden rust had genomen voordat het drukke seizoen voor zijn frietwagen weer zou beginnen. Hij stelt dat het beter was geweest om het eerste kwartaal van 2020 als referentieperiode te gebruiken, of om de hele jaaromzet van 2019 te delen door vier. Appellant stelt dat zijn vaste lasten zo’n € 2.100,- per maand bedragen.
Standpunt verweerder
5. Verweerder wijst er nogmaals op dat de vaste lasten worden bepaald aan de hand van de omzet in de referentieperiode en een gemiddelde verhouding tussen de vaste lasten en omzet. Dat percentage is bepaald per sector, wat betekent dat dit systeem geen rekening houdt met verschillen tussen ondernemingen binnen die sector. Omdat, op basis van deze berekening, de vaste lasten van appellant niet ten minste € 1.500,- bedragen, komt hij niet in aanmerking voor subsidie. Verweerder kan hier niet van afwijken. Ook kan verweerder niet afwijken van de referentieperiode. Er zijn slechts enkele uitzonderingsmogelijkheden, maar die zijn niet op appellant van toepassing. Bovendien voldoet appellant ook niet aan de voorwaarde dat het omzetverlies tenminste 30% is.
Beoordeling door het College
6.1
De TVL biedt, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, geen mogelijkheid om af te wijken van de in artikel 2.2.2, tweede lid, genoemde referentieperiode. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor startende ondernemingen als bedoeld in het derde lid van dat artikel. Appellant heeft geen startende onderneming en valt daarom niet onder die uitzondering.
6.2
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:594), heeft de regelgever geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Het doel van de TVL is om te voorkomen dat getroffen ondernemingen in de problemen komen door omzetverlies. Omdat er heel veel aanvragen zijn ingediend, is de uitvoering zo ingericht dat zo veel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk een voorschot krijgen uitgekeerd. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt verweerder alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Het College vindt die keuze niet onrechtmatig. Datzelfde geldt voor de keuze van de regelgever om de vaste lasten te berekenen aan de hand van een forfaitair systeem en geen rekening te houden met de daadwerkelijke vaste lasten (zie de uitspraak van het College van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809). Verweerder heeft ook mogen kiezen voor een systeem waarbij een kwartaal als referentieperiode wordt gebruikt, ook al omdat de subsidie per kwartaal wordt toegekend. Die keuze is niet willekeurig. Appellant wordt ook niet anders behandeld dan andere ondernemers in dezelfde branche. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
6.3
Het College begrijpt dat appellant niet kon voorzien dat zijn ‘sabbatical’ in het eerste kwartaal van 2019 tot gevolg zou hebben dat hij nu niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van de TVL. Dit is echter geen uitzonderlijke omstandigheid die maakt dat verweerder in dit geval toch een uitzondering had moeten maken.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2022.
De voorzitter is niet in de gelegenheid
deze uitspraak te ondertekenen. w.g. A.A. Dijk
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
“Paragraaf 2.2. Subsidie vaste lasten voor de periode januari, februari en maart 2021
Paragraaf 2.2.1. Subsidie vaste lasten voor MKB-ondernemingen
Artikel 2.2.a1. (begripsbepalingen)
(…)
2. In de artikelen 2.2.1, tweede lid, onderdeel b, 2.2.3, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 2.2.3a, eerste lid, 2.2.3b, eerste lid, en 2.2.3c, eerste lid, staat:
– A voor de omzet in de referentieperiode, uitgedrukt in Euro’s;
– B voor het omzetverlies, uitgedrukt in procenten;
– C voor de ratio tussen de vaste kosten en de omzet van een gemiddeld bedrijf, zoals per sector genoemd in de derde kolom van de tabel in de bijlage, uitgedrukt in procenten;
– D voor het subsidiepercentage, dat 85% bedraagt.
Artikel 2.2.1. (verstrekking subsidie)
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden januari, februari en maart 2021.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 1.500 bedraagt;
(…)
Artikel 2.2.2. (bepaling omzetverlies)
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het eerste kalenderkwartaal van 2019.
3. In afwijking van het tweede lid is de omzet in de referentieperiode voor:
a. een getroffen MKB-onderneming die na 31 december 2018 en uiterlijk op 30 september 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister;
b. een getroffen MKB-onderneming die na 30 september 2019 en uiterlijk op 30 november 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de omzet in de drie kalendermaanden volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister;
c. een getroffen MKB-onderneming die na 30 november 2019 en uiterlijk op 29 februari 2020 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de omzet in de periode na de dag van de inschrijving in het handelsregister tot en met 15 maart 2020 gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.”
(…)
Artikel 2.2.4. (afwijzingsgronden)
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
(…).”