Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat om de subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 vast te stellen op nul euro en het betaalde voorschot terug te vorderen.
De kern van het geschil betreft de omzetberekening. Appellante stelt dat vooruit ontvangen betalingen voor sport- en skilessen die door verplichte sluiting niet konden worden geleverd, niet als omzet over Q4 2020 moeten worden beschouwd. Verweerder handhaafde het standpunt dat de omzet moet worden gebaseerd op de aangiften omzetbelasting, conform de regeling.
Het College oordeelt dat de regeling uitdrukkelijk voorschrijft dat de omzet wordt bepaald aan de hand van de omzetbelastingaangiften, mede vanwege uitvoerbaarheid en administratieve lasten. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.