Appellant, een MKB-onderneming in de rijschoolbranche, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021. Verweerder wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde van minimaal 30% omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode Q1 2019.
Appellant verzocht om een afwijkende referentieperiode (Q1 2020) te hanteren vanwege groei en omzetverlies in die periode, en betoogde dat de omzetbelastingaangifte op kasstelselbasis geen getrouw beeld van de omzet geeft. Ook stelde appellant dat het forfaitaire vaste lastenpercentage te laag is en dat werkelijke vaste lasten hoger zijn.
Het College oordeelde dat de regeling geen ruimte biedt voor afwijking van de referentieperiode en dat de omzetbepaling op basis van de omzetbelastingaangifte terecht is. Het forfaitaire vaste lastenpercentage is gekozen voor uitvoerbaarheid en kan niet worden aangepast. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat appellant niet voldeed aan de omzetverliesvoorwaarde en er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken.