ECLI:NL:CBB:2023:107
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Beoordeling referentieperiode bij subsidieaanvraag vaste lasten COVID-19 voor nieuwe onderneming
Appellante, QP Facility B.V., heeft een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de TVL-regeling voor het eerste kwartaal van 2021. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies, waarbij een afwijkende referentieperiode is gehanteerd vanwege de inschrijfdatum van de onderneming in het handelsregister.
Appellante stelde dat haar onderneming een voortzetting is van een eerdere onderneming en dat daarom het eerste kwartaal van 2019 als referentieperiode had moeten gelden. Verweerder handhaafde de afwijzing omdat appellante onvoldoende bewijs leverde dat sprake was van voortzetting. Het College heeft vastgesteld dat appellante weliswaar delen van activa en personeel heeft overgenomen, maar een andere handelsnaam voert, onder een andere SBI-code is ingeschreven en onvoldoende heeft aangetoond dat de kenmerkende eigenschappen van de eerdere onderneming zijn voortgezet.
Het College concludeerde dat verweerder terecht de referentieperiode van 10 februari 2020 tot 15 maart 2020 heeft gehanteerd. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat geen toezeggingen of gedragingen van verweerder zijn gebleken waaruit appellante redelijkerwijs kon afleiden dat zij recht had op subsidie.
Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het afwijzingsbesluit gehandhaafd.