Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2022 in de zaak tussen
[naam 1] t.h.o.d.n. [naam 2] , te [woonplaats 1] , appellante
Procesverloop
Overwegingen
Aanleiding van deze procedure
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante had de onderneming [naam 2] B.V. per 1 maart 2020 overgenomen, die sinds 2012 ingeschreven stond en in 2019 omzet draaide. Verweerder kwalificeerde appellante als startende onderneming en gebruikte daardoor een alternatieve referentieperiode voor omzetverlies, wat leidde tot afwijzing van de subsidieaanvraag TVL voor juni-september 2020 vanwege onvoldoende omzetverlies.
Het College oordeelde dat de onderneming ondanks de gewijzigde rechtsvorm en nieuwe inschrijving in het handelsregister dezelfde economische eenheid bleef, omdat de bedrijfsactiviteiten, het adres, de naam en het personeel ongewijzigd waren gebleven. Hierdoor was appellante geen startende onderneming in de zin van de TVL-regeling.
Verweerder had daarom moeten uitgaan van de omzet van de overgenomen onderneming in 2019 bij het bepalen van het omzetverlies. Het College vernietigde het bestreden besluit en beval een nieuw besluit waarbij de omzet van 2019 als referentieperiode wordt gehanteerd. Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.