Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarbij de subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020 werd vastgesteld op € 5.956,97. Appellante stelde dat de forfaitaire berekening van de vaste lasten onvoldoende was om haar werkelijke lasten, zoals huur, te dekken en dat de omzetperiode niet maatgevend was.
Het College overwoog dat de TVL-regeling geen ruimte biedt om af te wijken van de forfaitaire berekening en dat de regeling bewust is ingericht om uitvoerbaar te zijn, ook al betekent dit dat de werkelijke lasten hoger of lager kunnen zijn. De aanvullende gemeentelijke SPUK-IJZ regeling staat los van de TVL en biedt geen grond voor aanpassing van de subsidie. Ook de HVA-opslag is niet van toepassing omdat die pas vanaf het vierde kwartaal 2020 geldt.
Verder wees het College erop dat de periode april-mei 2020 onder de TOGS-regeling viel, waar appellante ook een tegemoetkoming voor ontving. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat het besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om het doel van de regeling te bereiken. Het College verklaarde het beroep ongegrond.