ECLI:NL:CBB:2023:232
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. van den Heuvel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 bij nihil op grond van onvoldoende omzetverlies
De ondernemer heeft een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. De minister stelde de subsidie op nihil vast omdat de ondernemer niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies, berekend door de omzet in Q4 2020 te vergelijken met die in Q4 2019.
De ondernemer voerde aan dat Q4 2019 geen representatieve referentieperiode was vanwege een verbouwing en sluiting, en dat de minister een andere referentieperiode had moeten hanteren. Tevens stelde zij dat de verbouwing en vergunningverlening juridische belemmeringen vormden die niet tot haar ondernemersrisico behoorden.
Het College oordeelde dat de minister bevoegd was de subsidie op nihil vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, Awb, in samenhang met artikel 2.1.12, vierde lid, van de TVL. De regeling biedt geen mogelijkheid om af te wijken van de standaardreferentieperiode Q4 2019 voor deze subsidieperiode. De verbouwing en vergunningverlening behoren tot het ondernemersrisico en vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen.
Het College vond de regeling passend en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de subsidie werd terecht vastgesteld op nihil.
Uitkomst: De subsidie is terecht op nihil vastgesteld wegens onvoldoende omzetverlies in Q4 2020 ten opzichte van Q4 2019.