ECLI:NL:CBB:2023:15
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: geen afwijkende referentieperiode voor startende onderneming in TVL-subsidie
Appellante, een onderneming die een restaurant exploiteert, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar subsidieaanvraag op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021.
De kern van het geschil betreft de vraag of appellante als startende onderneming kan worden aangemerkt, waardoor een afwijkende referentieperiode zou gelden. Appellante stelde dat zij pas op 5 april 2019 haar restaurant opende na verbouwing en vergunningen, en dat de verhuur van de bovenwoning niet relevant is voor de omzetbepaling.
Het College oordeelt dat appellante reeds op 7 maart 2018 was ingeschreven in het handelsregister en dat de verhuur van de bovenwoning in Q1 2019 onderdeel uitmaakt van haar omzet. Hierdoor is zij niet aan te merken als startende onderneming en geldt de referentieperiode Q1 2019. Ook is de forfaitaire berekening van vaste lasten van toepassing, waardoor de werkelijke vaste lasten niet tot een andere uitkomst leiden.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd.