De onderneming, een hotel-restaurant ingeschreven sinds 23 juli 2019, vroeg subsidie aan op grond van de regeling vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 en 2021. De minister kende aanvankelijk een subsidie toe voor Q4 2020, maar trok deze later in wegens onjuiste gegevens. Na bezwaar stelde de minister de subsidie vast op een lager bedrag, uitgaande van 19 februari 2020 als startdatum, omdat de onderneming pas toen over de benodigde vergunningen beschikte.
Voor het vierde kwartaal van 2021 wees de minister de subsidieaanvraag af omdat er geen omzetderving van 20% was ten opzichte van de referentieperiode en de onderneming niet voldeed aan de drempeleis voor vaste lasten. De onderneming voerde aan dat de minister ten onrechte de startdatum op 19 februari 2020 stelde en niet de feitelijke startdatum van 28 februari 2020, en dat zij hierdoor onevenredig werd benadeeld.
Het College oordeelde dat de startdatum objectief bepaald moet worden aan de hand van feiten en omstandigheden, en dat 19 februari 2020 terecht als startdatum is vastgesteld omdat toen geen juridische belemmeringen meer bestonden. De omstandigheid dat de onderneming nog inkopen moest doen, vormt geen feitelijke belemmering. Voor Q4 2021 is de keuze van de minister voor de referentieperiode conform de regeling en het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.