ECLI:NL:CBB:2023:431

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 augustus 2023
Publicatiedatum
18 augustus 2023
Zaaknummer
22/635
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening 640/2014Verordening 809/2014
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid randvoorwaardekorting GLB 2019 door minister

De zaak betreft het beroep van een landbouwer tegen een randvoorwaardekorting van 70% die door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is opgelegd over het jaar 2019. De minister had de basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op €14.328,06, maar deze met de korting verlaagd naar €4.298,42, waarna €10.029,64 werd teruggevorderd.

Het College had eerder geoordeeld dat de minister in beginsel mocht uitgaan van de rechtmatigheid van de korting, maar dat nader onderzoek nodig was naar de grondslag van het kortingspercentage. In het bestreden besluit heeft de minister alsnog toegelicht op welke randvoorwaardenterreinen de kortingen zijn gebaseerd en hoe het kortingspercentage van 70% volgens de geldende EU-verordeningen is berekend.

Het College oordeelt dat er geen sprake is van een evident onrechtmatige korting en dat de landbouwer zijn bezwaren had moeten indienen via een bezwaarschrift tegen de randvoorwaardenkorting zelf. De minister mocht daarom de betaling verlagen en het bedrag terugvorderen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de landbouwer tegen de randvoorwaardekorting wordt ongegrond verklaard en de minister mag de korting toepassen en het bedrag terugvorderen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/635

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2023 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , de landbouwer

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen).

Procesverloop

Met het besluit van 24 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister opnieuw op het bezwaar van de landbouwer beslist.
De landbouwer heeft daartegen beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 9 augustus 2023. Aan de zitting hebben de landbouwer en zijn echtgenote en de gemachtigden van de minister deelgenomen.

Overwegingen

1. De minister had de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2019 vastgesteld op € 14.328,06. Omdat de minister met het besluit van 12 mei 2020 de landbouwer een randvoorwaardenkorting van 70% had opgelegd over het jaar 2019, heeft de minister die uitbetaling met het besluit van 15 oktober 2020 verlaagd naar € 4.298,42 en in verband daarmee € 10.029,64 van de landbouwer teruggevorderd. Met het besluit van 15 december 2020 verklaarde de minister het bezwaar daartegen ongegrond.
2. Bij uitspraak van 21 december 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1096) heeft het College het beroep van de landbouwer tegen het besluit van 15 december 2020 gegrond verklaard. In die uitspraak stelt het College eerst vast dat de landbouwer geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 12 mei 2020. Vervolgens overwoog het College dat de minister in deze procedure in beginsel mag uitgaan van de rechtmatigheid van een opgelegde randvoorwaardenkorting, maar dat dit in uitzonderlijke gevallen anders kan zijn. Omdat het – kort gezegd – onduidelijk was op grond waarvan de minister de hoogte van de randvoorwaardenkorting had vastgesteld op 70%, oordeelde het College dat de minister in deze procedure diende te onderzoeken of hij de hoogte van de randvoorwaardenkorting wel juist had vastgesteld. Nu hij dat niet had gedaan, zag het College aanleiding het besluit van 15 december 2020 te vernietigen en de minister op te dragen met in achtneming van die uitspraak een besluit te nemen op het bezwaar van de landbouwer tegen het besluit van 15 oktober 2020.
3. De minister heeft in het bestreden besluit en op de zitting alsnog duidelijk gemaakt op grond waarvan hij de hoogte van de randvoorwaardenkorting had vastgesteld op 70%. Hij heeft uiteengezet voor welke randvoorwaardenterreinen de landbouwer welke kortingen heeft gekregen. Verder heeft de minister aan de hand van de rekenregels in de ter zake geldende Verordening 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 en Uitvoeringsverordening 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 inzichtelijk gemaakt hoe hij tot het kortingspercentage van 70% is gekomen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat die randvoorwaardekorting evident onrechtmatig is, zodat de minister in deze procedure van de rechtmatigheid daarvan mocht uitgaan. Wat de landbouwer tegen de randvoorwaardenkorting aanvoert kan in deze procedure geen rol spelen; hij had dit naar voren moeten brengen in een bezwaarschrift tegen de randvoorwaardenkorting.
4. Uit het voorgaande volgt dat de minister de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2019 mocht verlagen naar € 4.298,42 en in verband daarmee € 10.029,64 van de landbouwer mocht terugvorderen.
5. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2023.
w.g. A. Venekamp w.g. T. Kuiper