De ondernemer diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het derde kwartaal van 2021, maar deze werd afgewezen wegens overschrijding van de aanvraagtermijn. De ondernemer stelde dat hij had gewacht op de uitkomst van een eerdere bezwaarschriftprocedure over Q2 2021, mede op advies van een medewerker van de minister, waardoor hij de deadline miste.
De minister handhaafde de afwijzing, stellende dat de aanvraagtermijn dwingend was en dat de ondernemer zelf verantwoordelijk was voor tijdige indiening. Het College overwoog dat de uitlating van de medewerker van de minister kwalificeert als een toezegging die aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend, waardoor bij de ondernemer gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de overschrijding niet zou worden tegengeworpen.
Het College constateerde dat er geen zwaardere belangen waren die het honoreren van dit vertrouwen in de weg stonden. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan de ondernemer vergoed.