Meerdere ondernemingen dienden aanvragen in voor de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021, maar deze werden afgewezen omdat ze twee dagen na de uiterste indieningsdatum waren ingediend. De minister verklaarde hun bezwaren ongegrond en de ondernemingen stelden beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
De ondernemingen voerden aan dat de termijnverschuiving door de minister verwarring veroorzaakte en dat zij in een stressvolle periode meerdere aanvragen moesten indienen. Ook wezen zij op ongelijke behandeling omdat een andere onderneming binnen het concern wel de mogelijkheid kreeg om alsnog een aanvraag in te dienen. Het College oordeelde dat de aanvraagtermijn duidelijk was en dat van ondernemers mag worden verwacht dat zij tijdig aanvragen indienen.
Het College stelde vast dat het afwijzen van te late aanvragen een dwingende afwijzingsgrond is volgens de regeling en dat geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie van de andere onderneming identiek was en het bestuursorgaan niet verplicht is een eerdere fout te herhalen. De beroepen werden ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.