De minister legde aan [naam 1] een dwangsombesluit en bestuursdwangbesluit op wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren, met name over de huisvesting van circa 50 konijnen. De minister stelde dat de konijnenhokken te klein waren, onvoldoende hygiënisch en met ongeschikte bodembedekking. [naam 1] voerde aan dat hij zich hield aan de Welzijnsleidraad van de KLN en dat de strengere LICG-bijsluiter niet van toepassing was.
Het College oordeelde dat het bestuursorgaan zich in beginsel mocht baseren op het toezichtrapport van de LID, maar dat het dwangsombesluit onvoldoende duidelijkheid gaf over de minimale hokafmetingen. Het College vernietigde het besluit voor zover het ging om de minimale hokafmetingen, omdat het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden. Voor het ontbreken van een schuilmogelijkheid, de hygiëne en de bodembedekking was het besluit wel terecht.
Het bestuursdwangbesluit werd eveneens vernietigd voor het onderdeel minimale hokafmetingen en herroepen. De overige maatregelen bleven gehandhaafd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan [naam 1].