ECLI:NL:CBB:2023:688
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing te late TVL-aanvraag niet in strijd met evenredigheidsbeginsel, vergoeding immateriële schade
De zaak betreft een TVL-aanvraag van een onderneming voor het tweede kwartaal van 2021 die niet tijdig werd ingediend. De minister wees de aanvraag af omdat deze na de uiterste indieningsdatum van 20 augustus 2021 was ontvangen. De onderneming voerde aan dat de late indiening het gevolg was van miscommunicatie tussen bestuurders en de afwezigheid van de boekhouder door vakantie.
Het College stelt vast dat de afwijzing op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) een dwingende afwijzingsgrond is en dat de minister niet bevoegd is hiervan af te wijken. Het feit dat de boekhouder met vakantie was en bestuurders dachten dat de ander de aanvraag zou doen, is voor rekening en risico van de onderneming. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen.
Daarnaast constateert het College dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep is overschreden met twee dagen. Omdat de overschrijding volledig aan het College kan worden toegerekend, wordt de Staat veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €500 aan de onderneming.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige indiening en de beperkte ruimte voor afwijking van dwingende afwijzingsgronden in subsidieregelingen.
Uitkomst: De minister heeft de te late TVL-aanvraag terecht afgewezen en de Staat is veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.