ECLI:NL:RVS:2021:362
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- B.P.M. van Ravels
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en hoogte van verbeurde dwangsom bij niet tijdig beslissen op Wob-verzoek
Op 28 augustus 2014 diende appellant een Wob-verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 5 juni 2015 dat het college niet tijdig had beslist en legde een dwangsom op van €100 per dag tot maximaal €4.200. Het college stelde de hoogte van de dwangsom vast op €2.800, maar appellant betwistte dit bedrag. Na bezwaar en beroep verklaarde de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk en wees het verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep stelde de Afdeling bestuursrechtspraak vast dat de brief van 28 januari 2016 waarin het college de dwangsom vaststelde geen besluit in de zin van de Awb is, waardoor bezwaar en beroep daartegen niet ontvankelijk zijn. De Afdeling oordeelde dat appellant zich voor de hoogte van de dwangsom tot de burgerlijke rechter moet wenden. Tevens werd geoordeeld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep was overschreden, waardoor appellant recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en veroordeelde het college tot betaling van de schadevergoeding en vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 24 februari 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak en het besluit vernietigd, bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het college veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding.