ECLI:NL:CBB:2023:695
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten COVID-19 wegens te late indiening niet onrechtmatig
De onderneming diende een aanvraag in voor subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021, maar deze werd afgewezen omdat de aanvraag na de uiterste datum van 20 augustus 2021 was ingediend. De onderneming stelde dat de vertraging te wijten was aan een externe boekhouder die de aanvraag was vergeten in te dienen, en verzocht om coulance vanwege de financiële gevolgen.
De minister handhaafde de afwijzing, stellende dat de verantwoordelijkheid voor tijdige indiening bij de onderneming ligt, ook als een derde de aanvraag verzorgt. Het College oordeelde dat de afwijzing niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat de te late indiening een dwingende afwijzingsgrond is volgens de regeling.
Daarnaast stelde het College vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep was overschreden met ongeveer vijf weken. Op grond daarvan werd de Staat veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €500 aan de onderneming. Het beroep werd inhoudelijk ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag bleef afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag blijft afgewezen; de Staat moet €500 schadevergoeding betalen wegens overschrijding redelijke termijn.