ECLI:NL:CBB:2024:248

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
29 maart 2024
Zaaknummer
22/2220
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij TVL-subsidie

De onderneming heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak waarin haar bezwaar tegen de intrekking van een TVL-subsidie niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening. De bezwaartermijn eindigde op 21 april 2022, maar het bezwaarschrift werd pas op 25 mei 2022 ontvangen.

De onderneming voerde aan dat zij geen notificatie-e-mail had ontvangen en dat de communicatie van de minister via digitale en fysieke kanalen verwarrend was. Ook stelde zij dat de minister ambtshalve de subsidie had moeten herzien naar aanleiding van een eerdere, vergelijkbare zaak.

Het College oordeelde dat het besluit en de notificatie op 10 maart 2022 in de digitale omgeving van de onderneming waren geplaatst en dat de onderneming uitdrukkelijk had ingestemd met digitale correspondentie, waardoor zij de verplichting had om regelmatig in te loggen. De fysieke betalingsherinnering kwam te laat en de veronderstelling dat de minister ambtshalve zou herzien rechtvaardigde geen termijnoverschrijding.

Daarom is het verzet ongegrond verklaard en wordt het beroep niet inhoudelijk behandeld. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2220

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 op het verzet van

[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)

(gemachtigde: mr. E. Hermans)

Procesverloop

De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, van 27 juni 2023.
De zitting was op 8 maart 2024. Namens de onderneming hebben [naam 2] en [naam 3] aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

1. Met het besluit van 22 augustus 2022 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 10 maart 2022
niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Met de uitspraak van 27 juni 2023 heeft het College het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2 De laatste dag van de bezwaartermijn was 21 april 2022. Het bezwaarschrift is op
25 mei 2022 bij de minister ontvangen. Dat de onderneming daarmee te laat bezwaar heeft gemaakt, is niet (meer) in geschil.
3 De onderneming vindt dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar is. Zij heeft daarover het volgende naar voren gebracht. De notificatie e-mail dat in “Mijn RVO” een bericht zou klaarstaan over de subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) is niet ontvangen. Daardoor was er ook geen directe aanleiding om in de digitale omgeving in te loggen. Pas naar aanleiding van een met de fysieke post verzonden betalingsherinnering is de onderneming op de hoogte geraakt van het besluit van 10 maart 2022 waarmee de eerder verleende TVL-subsidie is ingetrokken. Zij heeft toen alsnog bezwaar gemaakt. De onderneming merkt in dit verband ook op dat de wijze van communiceren door de minister niet eenduidig is. Soms gebeurt dit via de digitale omgeving en via e-mail, maar soms ook met de fysieke post. Dat is verwarrend. Verder verwijst de onderneming nog naar de gang van zaken rond haar, nagenoeg identieke, aanvraag voor een TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2021. In de daarover gevoerde bezwaarprocedure is het bezwaar uiteindelijk gegrond verklaard. Het had op de weg van de minister gelegen om de TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 naar aanleiding daarvan ambtshalve te herzien. Mede hierdoor was de onderneming niet alert op de digitale omgeving.
4 Voor het beoordelingskader verwijst het College naar zijn uitspraak van
30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). Het College moet beoordelen of het niet binnen de termijn indienen van een bezwaarschrift aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College beantwoordt die vraag op grond van de volgende overwegingen bevestigend. Vaststaat dat het besluit van 10 maart 2022 op die dag in “Mijn RVO” van de onderneming is geplaatst en dat eveneens op die dag een notificatie e-mail is verzonden aan het door de onderneming opgegeven e-mailadres. De minister heeft ook geen bericht ontvangen dat de notificatie e-mail “undeliverable” zou zijn. Los daarvan is het zo dat de onderneming uitdrukkelijk heeft ingestemd met digitale correspondentie (ook) over deze aanvraag voor een TVL-subsidie. Dat brengt de verplichting mee om regelmatig in de digitale omgeving te kijken. Daar komt bij dat de onderneming op 3 maart 2022 de aanvraag om vaststelling van de eerder verleende TVL-subsidie had ingediend en dus ook een of meer berichten van de minister kon verwachten. Dat de minister de betalingsherinnering met de fysieke post heeft verzonden, is in dit verband niet van belang. Die brief is ook van een (veel) latere datum dan 10 maart 2022. Dat de onderneming ervan uitging dat de minister de TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 ambtshalve zou herzien, is ook geen rechtvaardiging voor het niet binnen de termijn indienen van een bezwaarschrift. De minister is daartoe immers niet verplicht.
5 De conclusie is dat de uitspraak van 27 juni 2023 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de onderneming niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van E.A, van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel