ECLI:NL:CBB:2024:327
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
De ondernemer heeft subsidieaanvragen ingediend voor het vierde kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister wees deze aanvragen af omdat het vereiste omzetverlies van respectievelijk minimaal 20% en 30% ten opzichte van de referentieperiode niet werd gehaald.
De ondernemer stelde dat de gekozen referentieperiode (Q1 2020) niet representatief was, omdat hij pas vanaf februari 2020 omzet kon genereren door een verbouwing en sluitingen vanwege overheidsmaatregelen. Hij verzocht daarom om Q3 2020 als referentieperiode te hanteren.
Het College oordeelt dat de regeling duidelijk voorschrijft welke referentieperiodes van toepassing zijn, afhankelijk van de inschrijfdatum in het handelsregister. De regeling biedt geen ruimte voor afwijkingen, ook niet als de omzet in Q3 2020 representatiever is. De eerdere jurisprudentie waarop de ondernemer zich beroept is niet relevant voor de huidige situatie.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de ondernemer tegen de afwijzing van de TVL-subsidieaanvragen wordt ongegrond verklaard.