ECLI:NL:CBB:2024:826
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 bij onvoldoende omzetverlies
De ondernemer, een lunchroomhouder die zijn bedrijf in juli 2019 startte, verzocht om subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021. De minister stelde de subsidie vast op € 0,- omdat niet aan het vereiste van minimaal 20% omzetverlies werd voldaan. De minister gebruikte voor de berekening de referentieperiode Q4 2019, zoals voorgeschreven in de regeling.
De ondernemer betoogde dat deze referentieperiode niet representatief was omdat de lunchroom net was gestart en de omzet toen lager was dan in latere jaren. Hij stelde dat dit discriminerend was en dat een gunstiger referentieperiode toegepast had moeten worden. Het College oordeelde dat de TVL-regeling geen ruimte biedt voor afwijking van de voorgeschreven referentieperiodes en dat de minister niet onrechtmatig heeft gehandeld door aan deze regeling vast te houden.
Het College verwees naar eerdere uitspraken waarin werd bevestigd dat het systeem van de TVL-regeling en de gekozen referentieperiodes noodzakelijk zijn voor een snelle en uitvoerbare subsidieverstrekking. Het feit dat de ondernemer mogelijk bij een latere inschrijving wel subsidie had ontvangen, vormt geen grond voor afwijking. De financiële impact en psychische stress van de ondernemer werden erkend, maar zijn geen reden voor een uitzondering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de ondernemer wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt op nul vastgesteld wegens onvoldoende omzetverlies.