De onderneming diende een aanvraag in voor een TVL-subsidie voor het vierde kwartaal van 2021, die door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode. De minister baseerde zich uitsluitend op de omzetgegevens van de onderneming zelf en negeerde de omzet van een voorganger, die de onderneming eerder exploiteerde.
De onderneming stelde dat zij mocht vertrouwen op de eerdere acceptatie door de minister van omzetgegevens van de voorganger in vijf andere subsidieperiodes. Het College oordeelde dat bij correcte toepassing van de regeling geen recht op subsidie bestond, maar dat de minister door in eerdere periodes onterecht af te wijken van de regeling het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden.
Het College stelde criteria vast voor de beoordeling van schending van het rechtszekerheidsbeginsel, zoals het aantal keren dat de minister afweek, de diepgang van de beoordeling en de mate van overleg met de onderneming. Gezien vijf eerdere afwijkingen achtte het College het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om nu niet af te wijken.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.