ECLI:NL:CBB:2024:354
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proces-verbaal
- R.W.L. Koopmans
- B. Bastein
- H. van den Heuvel
- Rechtspraak.nl
College bevestigt terecht lagere vaststelling en terugvordering subsidie vaste lasten COVID-19 Q3 2021
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de lagere vaststelling van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het derde kwartaal van 2021. De minister had de subsidie aanvankelijk vastgesteld op €108.164,97, maar deze later verlaagd tot €77.560,78 vanwege overschrijding van het staatssteunplafond van €225.000, waarna een bedrag van €30.604,19 werd teruggevorderd.
De onderneming stelde dat zij het subsidieaanvraagproces correct had doorlopen en dat de vaststelling definitief was. Ook wees zij op de latere verhoging van het staatssteunplafond naar €290.000 voor het vierde kwartaal van 2021, waardoor zij vond dat zij niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de fout van de minister.
Het College oordeelt dat de minister op grond van artikel 7 van Pro de Kaderwet en paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling bevoegd is om subsidievaststellingen te corrigeren indien deze in strijd zijn met staatssteunregels. De lagere vaststelling en terugvordering zijn daarom terecht. De latere verhoging van het staatssteunplafond is niet relevant voor de beoordeling van het derde kwartaal van 2021. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere subsidievaststelling en terugvordering door de minister zijn terecht.