ECLI:NL:CBB:2024:516

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 juli 2024
Publicatiedatum
19 juli 2024
Zaaknummer
23/475
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbKaderwet EZK- en LNV-subsidies
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten financiering COVID-19 wegens te late indiening niet in strijd met evenredigheidsbeginsel

De stichting diende een subsidieaanvraag in voor de vaste lasten financiering COVID-19 over het eerste kwartaal van 2022, maar deze aanvraag werd buiten de gestelde aanvraagperiode ingediend. De minister wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De stichting stelde dat een storing in het digitale systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) de tijdige indiening onmogelijk maakte.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde zonder zitting dat de minister terecht de aanvraag afwees omdat de aanvraagperiode strikt is vastgesteld en de wet geen ruimte biedt voor afwijking. De stichting kon niet aantonen dat er daadwerkelijk een storing was op de cruciale datum 21 maart 2022, noch dat zij tijdig contact had gezocht met de RVO om het probleem te melden.

Het College benadrukte dat het beleid van de minister gebaseerd is op het ongeschreven evenredigheidsbeginsel, waarbij in uitzonderlijke gevallen zoals ernstige persoonlijke omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt. Dit was hier niet aan de orde. De afwijzing was daarom niet onevenredig. Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de stichting tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wegens te late indiening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/475
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats]

en

de minister van Economische Zaken

Procesverloop

Met het besluit van 29 juni 2022 heeft de minister de melding van de stichting van 22 juni 2022 aangemerkt als pro-forma-aanvraag om een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 en deze vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 12 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Beoordeling

1 Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2.1
Een subsidieaanvraag voor Q1 van 2022 kon worden ingediend in de periode van
28 februari 2022 (vanaf 8.00 uur) tot en met 31 maart 2022 (vóór 17.00 uur). Uit de TVL volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen als deze niet tijdig is ingediend. De Awb en de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is) bieden geen grondslag om daarvan af te wijken.
2.2
Als een ondernemer na het verstrijken van de aanvraagperiode contact opneemt met de minister om een probleem bij de aanvraag te melden, merkt de minister deze melding aan als pro-forma-aanvraag en beoordeelt vervolgens of de door een ondernemer aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om hem op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen. Bij die beoordeling neemt de minister als uitgangspunt dat het de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers is om tijdig een aanvraag in te dienen. In sommige gevallen vindt de minister het tegenwerpen van deze eigen verantwoordelijkheid echter niet evenredig. Dan gaat het om gevallen waarin ten tijde van de aanvraagperiode sprake was van ‘ernstige persoonlijke omstandigheden’. Ondernemers kunnen ook een beroep doen op ‘overige omstandigheden’. Zie ook de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293) [1] waarin deze werkwijze van de minister is besproken. Het College merkt op dat het daarbij gaat om beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
3. De stichting heeft aangevoerd dat zij de aanvraag niet tijdig heeft kunnen indienen, omdat er een storing was in het digitale systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Met name op 21 maart 2022 heeft zij geprobeerd haar aanvraag in te dienen. Alleen was het niet mogelijk om op ‘versturen’ te drukken en bleef de aanvraag op ‘concept’ staan. Daarna heeft de stichting heel vaak geprobeerd om de aanvraag alsnog te versturen en om over de problemen die zij daarbij ondervond contact te krijgen met de RVO, maar dat is niet binnen de aanvraagperiode gelukt.
4. Het College is van oordeel dat in dit geval het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het niet tijdig indienen van de aanvraag komt daarom voor rekening van de stichting. Voor dit oordeel is het volgende van belang. De stichting heeft niet met stukken onderbouwd dat er een storing was in het digitale systeem van de RVO waardoor zij haar aanvraag niet binnen de aanvraagperiode kon indienen. De minister heeft laten onderzoeken, zo staat in het verweerschrift, of er op 21 maart 2022 een storing was. Dat was niet het geval. Bovendien is niet gebleken dat de stichting vóór het verstrijken van de aanvraagperiode contact heeft opgenomen met de RVO. In bezwaar heeft de stichting aangevoerd dat zij op 11 februari 2022 heeft gebeld met de RVO, maar dat is voor het oordeel in deze zaak niet van belang. Op dat moment kon namelijk nog geen aanvraag voor Q1 van 2022 ingediend kon worden. Uit de telefoonnotities van de RVO die in het dossier zitten, blijkt ook dat er op verschillende momenten telefonisch contact is geweest tussen de stichting en de RVO, maar dat die gesprekken over een andere subsidieperiode gingen. Bovendien vonden deze gesprekken plaats ná de aanvraagperiode voor Q1 van 2022. Het College komt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken dat het voor de stichting onmogelijk was om binnen de aanvraagperiode een aanvraag in te dienen. Op het moment dat de stichting tegen problemen in het digitale aanvraagsysteem aanliep, had zij contact op kunnen nemen met de RVO. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing onevenredig maken.
5. Het beroep is (kennelijk) ongegrond.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Voetnoten

1.Deze uitspraak is te vinden op www.rechtspraak.nl.