ECLI:NL:CBB:2024:577

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
15 augustus 2024
Publicatiedatum
20 augustus 2024
Zaaknummer
23/474 en 23/1090
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening 717/2014
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling staatssteunplafond voor visserij- en aquacultuursector bij TVL-subsidie

In deze zaak stonden de vaststellingen van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste en tweede kwartaal van 2021 centraal. De minister van Economische Zaken had het staatssteunplafond toegepast dat geldt voor ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector, waardoor de subsidie voor Q1 2021 werd vastgesteld op €270.000 en voor Q2 2021 op €0.

De onderneming, actief in de verwerking van vis (fileren, snijden, wegen, invriezen en verpakken), voerde aan dat zij niet onder deze sector viel omdat zij zelf geen vis vangt. Het College verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd bevestigd dat ook ondernemingen die uitsluitend vis verwerken en afzetten onder de visserij- en aquacultuursector vallen. Daarnaast faalde het beroep op een uitzondering uit Verordening 717/2014, omdat deze uitzondering betrekking heeft op een ander type subsidies.

Verder werden de beroepen op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel verworpen, aangezien deze niet konden leiden tot een voordeel dat in strijd is met een duidelijke Unierechtelijke bepaling. Het College oordeelde dat er geen motiveringsgebrek was en dat de minister terecht zijn bevoegdheid had gebruikt om het staatssteunplafond toe te passen. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De beroepen tegen het toepassen van het staatssteunplafond voor de visserij- en aquacultuursector bij de vaststelling van TVL-subsidies zijn ongegrond verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 23/474 en 23/1090

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

Rechter: mr. R.W.L. Koopmans

Griffier: mr. A.A. Dijk

Partijen

[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn haar gemachtigde mr. drs. J.P.G. Paffen en [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. P van Veen en mr. A.M.D. Dijkstra

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

De minister heeft in dit geval terecht het staatssteunplafond gehanteerd dat geldt voor ondernemingen actief in de visserij- en aquacultuursector. De onderneming heeft toegelicht dat zij zelf geen vis vangt, maar deze alleen verwerkt (fileren, snijden, wegen, invriezen, verpakken). Het College heeft in zijn uitspraak van 23 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:27) geoordeeld dat ook ondernemingen die (alleen) vis verwerken en afzetten onder de visserij- en aquacultuursector vallen. Dat geldt dus ook voor deze onderneming. Dat de onderneming mogelijk ook nog andere, niet vis gerelateerde, activiteiten onderneemt, doet daar ook niet aan af. De uitzondering uit artikel 1, eerste lid, onder a, van Verordening 717/2014 waar de onderneming zich op beroept, is hier niet van toepassing. Die uitzondering gaat over een ander type subsidies.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Uit de uitspraak van het College van 23 april 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:289) volgt dat een beroep op deze beginselen er niet toe kan leiden dat de onderneming een voordeel verkrijgt dat in strijd is met een duidelijke Unierechtelijke bepaling, in dit geval de bepaling waaruit volgt dat het staatssteunplafond niet mag worden overschreven. Verder is geen sprake van een motiveringsgebrek, omdat de minister duidelijk heeft gemotiveerd dat en waarom het staatsteunplafond voor de onderneming geldt.
De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 van 2021 vast te stellen op € 270.000,- en de subsidie voor Q2 van 2021 op € 0,-.
De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk