ECLI:NL:CBB:2024:577
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling staatssteunplafond voor visserij- en aquacultuursector bij TVL-subsidie
In deze zaak stonden de vaststellingen van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste en tweede kwartaal van 2021 centraal. De minister van Economische Zaken had het staatssteunplafond toegepast dat geldt voor ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector, waardoor de subsidie voor Q1 2021 werd vastgesteld op €270.000 en voor Q2 2021 op €0.
De onderneming, actief in de verwerking van vis (fileren, snijden, wegen, invriezen en verpakken), voerde aan dat zij niet onder deze sector viel omdat zij zelf geen vis vangt. Het College verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd bevestigd dat ook ondernemingen die uitsluitend vis verwerken en afzetten onder de visserij- en aquacultuursector vallen. Daarnaast faalde het beroep op een uitzondering uit Verordening 717/2014, omdat deze uitzondering betrekking heeft op een ander type subsidies.
Verder werden de beroepen op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel verworpen, aangezien deze niet konden leiden tot een voordeel dat in strijd is met een duidelijke Unierechtelijke bepaling. Het College oordeelde dat er geen motiveringsgebrek was en dat de minister terecht zijn bevoegdheid had gebruikt om het staatssteunplafond toe te passen. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De beroepen tegen het toepassen van het staatssteunplafond voor de visserij- en aquacultuursector bij de vaststelling van TVL-subsidies zijn ongegrond verklaard.