ECLI:NL:CBB:2024:589

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
23/777
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbKaderwet EZK- en LNV-subsidiesonafgebroken evenredigheidsbeginsel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten financiering COVID-19 wegens te late indiening niet in strijd met evenredigheidsbeginsel

De onderneming diende een subsidieaanvraag in voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022, maar deze werd door de minister afgewezen omdat de aanvraag buiten de gestelde termijn was ingediend.

De onderneming voerde aan dat de communicatie over de aanvraagtermijnen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) onduidelijk was en dat zij moeite had om de verschillende deadlines te overzien. De minister stelde dat de termijnen duidelijk waren gepubliceerd en dat de onderneming zich had kunnen aanmelden voor automatische herinneringen.

Het College oordeelde dat het niet tijdig indienen van de aanvraag de verantwoordelijkheid van de onderneming is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de afwijzing onevenredig maken. Het College bevestigde dat de minister niet verplicht is om persoonlijk te informeren over wijzigingen in de regeling.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd. De uitspraak werd zonder zitting gedaan omdat het dossier voldoende informatie bevatte.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag TVL Q1 2022 wordt ongegrond verklaard vanwege te late indiening.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/777
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

Procesverloop

Met het besluit van 19 oktober 2022 heeft de minister de melding van de onderneming van 5 september 2022 aangemerkt als pro-forma-aanvraag om een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 en deze vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 26 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Beoordeling

Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
Een subsidieaanvraag voor Q1 van 2022 kon worden ingediend in de periode van 28 februari 2022 (vanaf 8.00 uur) tot en met 31 maart 2022 (vóór 17.00 uur). Uit de TVL volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen als deze niet tijdig is ingediend. De Awb en de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is) bieden geen grondslag om daarvan af te wijken.
Als een onderneming na het verstrijken van de aanvraagperiode contact opneemt met de minister om een probleem bij de aanvraag te melden, merkt de minister deze melding aan als pro-forma-aanvraag en beoordeelt hij vervolgens of de door een ondernemer aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om hem op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen. Bij die beoordeling neemt de minister als uitgangspunt dat het de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers is om tijdig een aanvraag in te dienen. In sommige gevallen vindt de minister het tegenwerpen van deze eigen verantwoordelijkheid echter niet evenredig. Dan gaat het om gevallen waarin ten tijde van de aanvraagperiode sprake was van ‘ernstige persoonlijke omstandigheden’. Ondernemers kunnen ook een beroep doen op ‘overige omstandigheden’. Zie ook de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293) [1] waarin deze werkwijze van de minister is besproken. Het College merkt op dat het daarbij gaat om beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
4 De onderneming heeft aangevoerd dat zij haar best heeft gedaan om verschillende regelingen met dwars door elkaar lopende termijnen in de gaten te houden, maar dat dit is misgegaan bij de subsidieaanvraag voor Q1 van 2022. Doordat verschillende deadlines van onder andere de Rijksdienst van Ondernemend Nederland (RVO) en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen door elkaar liepen, verloor de onderneming regelmatig het overzicht. De onderneming is verbaasd dat zij de mogelijkheid om een TVL-aanvraag te doen voor Q1 van 2022 volledig heeft gemist en zij is dan ook van mening dat de communicatie van de RVO, in ieder geval in haar geval, ernstig is tekortgeschoten. De sluitingsdatum voor de aanvraag voor dit kwartaal was niet duidelijk gecommuniceerd op de website van de RVO. De RVO communiceert niet eenduidig. Zo gaan sommige zaken alleen per post, andere alleen per e-mail en weer andere via “mijn rvo”.
5 Volgens de minister waren de termijnen voor het indienen van een subsidieaanvraag terug te vinden op de website van de RVO, zijn ze gecommuniceerd via brancheverenigingen en
social mediaen kon de onderneming zich bij de minister aanmelden voor een geautomatiseerd verstuurde herinnering. Ten aanzien van de lengte van de aanvraagperiode voor Q1 van 2022 wijst de minister erop dat de mogelijkheid om steun aan ondernemers te verlenen op grond van Europese regelgeving afliep op 30 juni 2022. TVL-aanvragen moesten daarom voor die tijd zijn afgehandeld. Om ervoor te zorgen dat alle ingediende aanvragen tijdig konden worden beoordeeld, was de aanvraagtermijn korter dan in eerdere kwartalen.
6. Het College is van oordeel dat in dit geval het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het niet tijdig indienen van de aanvraag komt daarom voor rekening van de onderneming. Voor dit oordeel is het volgende van belang. Uit de TVL blijkt duidelijk wanneer de aanvraagperiode begint en eindigt. Zoals het College eerder heeft geoordeeld, rustte op de minister niet de verplichting om de onderneming over (wijzigingen in) de TVL persoonlijk te informeren. Zie onder andere de uitspraken van het College van 23 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:246) en van 15 augustus 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:422). Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om zich op de hoogte te stellen van de termijnen die voor haar bedrijfsvoering van belang zijn. Het lag daarom op de weg van de onderneming om tijdig kennis te nemen van (wijzigingen in) de TVL en haar aanvraag op tijd in te dienen. Niet is gebleken dat de onderneming daartoe niet in staat was. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de afwijzing onevenredig maken.
7. Het beroep is (kennelijk) ongegrond.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. C.D.V. Efstratiades
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Voetnoten

1.De uitspraken van het College zijn te vinden op www.rechtspraak.nl