Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , (de onderneming)
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Overwegingen
De onderneming exploiteert een schoonheidssalon. De onderneming heeft voor Q1 2021 subsidie aangevraagd. De minister heeft een subsidie verleend van – uiteindelijk –
11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en van 15 augustus 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:421) waarin dat bevestigd wordt. Daarnaast heeft het College in de uitspraak van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:491) geoordeeld dat de minister enkel mag afwijken van de aangifte omzetbelasting, indien de Belastingdienst concludeert dat de aangifte onjuist is en overgaat tot aanpassing. De minister mocht dus ook bij desinvesteringen in de subsidieperiode uitgaan van de omzet zoals die blijkt uit de aangifte omzetbelasting.
€ 91.753,- zoals die volgen uit de aangifte omzetbelasting. Op grond van die gegevens voldoet de onderneming niet aan de voorwaarde dat het omzetverlies ten minste 30% bedraagt. De minister stelt dat hij van de bevoegdheid tot het vaststellen van de subsidie op nihil gebruik mocht maken op grond van artikel 2.2.10, vijfde lid, van de TVL waarin is opgenomen dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien het omzetverlies minder dan 30% bedraagt.
Beoordeling door het College
Slotsom
Beslissing
Bijlage
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
[…]
[…]