ECLI:NL:CBB:2024:717

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
11 oktober 2024
Zaaknummer
23/1571
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar subsidie vaste lasten COVID-19 wegens termijnoverschrijding

De ondernemer diende op 2 mei 2023 een bezwaarschrift in tegen het besluit van de minister van Economische Zaken van 8 februari 2023, waarin de eerder verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op nihil werd vastgesteld. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De ondernemer voerde persoonlijke omstandigheden aan, waaronder een depressie en problemen met zijn accountant, als reden voor de vertraging.

Het College oordeelde dat het besluit op juiste wijze digitaal bekend was gemaakt en dat de uiterste datum voor bezwaar 2 maart 2023 was. De termijnoverschrijding was dus evident. Hoewel de ondernemer een moeilijke periode had, was niet gebleken dat hij ten tijde van het besluit en de bezwaarperiode niet tijdig kennis kon nemen van het besluit.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd de minister niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 15 oktober 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar wegens termijnoverschrijding is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1571

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] ,te [plaats] (de ondernemer)
en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigden: mr. P. van Veen en C. Zieleman)

Procesverloop

De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 27 juni 2023.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 augustus 2024. De ondernemer en de gemachtigden van de minister hebben aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

1. De ondernemer heeft op 2 mei 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van de minister van 8 februari 2023 tot ambtshalve vaststelling van de eerder aan hem verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) op nihil. Met het besluit van 27 juni 2023 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2 In beroep heeft de ondernemer onder meer aangevoerd dat hij door de persoonlijke omstandigheden waarin hij verkeerde te laat was met het aanleveren van de gegevens voor de vaststelling en dat hij e-mailberichten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over het indienen van een bezwaarschrift over het hoofd heeft gezien. De ondernemer heeft gewezen op de financieel moeilijke situatie waarin hij terecht was gekomen. Ook heeft hij van januari 2022 tot oktober 2022 last gehad van een depressie, waarvoor hij ongeveer twee jaar onder behandeling is geweest. De ondernemer heeft verder naar voren gebracht dat zijn accountant in januari 2022 met pensioen was gegaan en geen gegevens meer had aangeleverd. Hierdoor waren de omzetcijfers voor de TVL niet tijdig beschikbaar. Uit de uiteindelijke aangifte over het eerste kwartaal van 2022 blijkt volgens de ondernemer dat hij wel degelijk recht op TVL zou hebben, zoals ook voor de overige kwartalen het geval was. De ondernemer heeft ten slotte aangegeven dat hij alsnog bezwaar heeft gemaakt nadat hij door een medewerker van RVO was gebeld omdat hij de subsidie nog niet had terugbetaald.
3 Vaststaat dat het besluit van 8 februari 2023 op die dag op de juiste wijze, digitaal, bekend is gemaakt. De laatste dag waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend was dus 2 maart 2023. Het is niet in geschil dat het op 2 mei 2023 ingediende bezwaarschrift daarom te laat is.
4 Voor het kader voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding aan de ondernemer kan worden toegerekend. Die vraag beantwoordt het College bevestigend. Zoals op de zitting door hem is bevestigd, heeft de ondernemer het besluit van 8 februari 2023 in de digitale omgeving en de notificatie e-mail wel ontvangen. Uit de door de ondernemer geschetste omstandigheden komt weliswaar in algemene zin naar voren dat hij een moeilijke periode heeft gehad, maar daaruit blijkt niet duidelijk hoe de situatie was ten tijde van het besluit van 8 februari 2023 en de daarop volgende periode waarin bezwaar kon worden gemaakt. Het is niet gebleken dat de omstandigheden toen zodanig waren dat hij niet tijdig kennis kon nemen van dat besluit. De ondernemer heeft daarover ook geen specifieke informatie kunnen geven.
5 Het beroep is daarom ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M. Schoneveld en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van S.C. Lenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S.C. Lenders