ECLI:NL:CBB:2024:726

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
23/709
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omzetverlies en subsidie TVL Q1 2021 op basis van omzetbelastingaangifte

De ondernemer, actief in de horeca en daarnaast verhuurder van privévastgoed, stelde beroep in tegen het besluit van de minister om de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021 op nul vast te stellen en een eerder betaalde voorschot terug te vorderen.

De ondernemer betoogde dat de minister ten onrechte de huuropbrengsten bij de omzet had betrokken, terwijl de TVL volgens hem alleen op de horeca-activiteiten ziet. Hij verwees naar een eerdere subsidieberekening voor Q4 2020 waarbij de huuropbrengsten buiten beschouwing waren gelaten en stelde dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd.

Het College stelde vast dat de minister terecht de omzet uit de aangifte omzetbelasting als uitgangspunt heeft genomen, omdat dit de bewuste keuze van de regelgever is om de regeling uitvoerbaar te houden en administratieve lasten te beperken. De omzet wordt niet per activiteit gesplitst, waardoor ook de huuropbrengsten meetellen.

Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel faalde omdat de minister geen concrete toezegging had gedaan en het niet in strijd is met rechtszekerheid om een eerdere fout niet te herhalen. Het College verklaarde het beroep ongegrond en wees de subsidie toe op nul, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De subsidie TVL Q1 2021 is terecht vastgesteld op nul euro wegens onvoldoende omzetverlies.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/709
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
(gemachtigde: drs. H.A.P. Schrijnemakers MBA)
en

de minister van Economische Zaken

Procesverloop

Met het besluit van 30 mei 2022 heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.290,- teruggevorderd.
Met het besluit van 1 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste dat hij ten minste 30% omzetverlies heeft geleden.
3 De ondernemer stelt dat hij wel degelijk voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De ondernemer exploiteert een horecagelegenheid en heeft daarnaast privévastgoed dat hij verhuurt. Volgens de ondernemer ziet de TVL alleen op de horecaonderneming en niet op de verhuur van privévastgoed. De minister had de subsidie daarom moeten vaststellen op basis van alleen de horecaomzet, zonder de verhuuropbrengsten daarbij op te tellen. De minister heeft de subsidie voor Q4 van 2020 ook op die manier vastgesteld. Hierdoor mocht de ondernemer ervan uitgaan dat de minister bij de vaststelling van de subsidieverlening voor Q1 van 2021 de omzet en het omzetverlies op gelijke wijze zou berekenen. De ondernemer stelt ten slotte dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is.
4.1
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). [1] Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Daarvoor geldt dat het gaat om alle omzet van de onder het betrokken Kamer van Koophandel-nummer geregistreerde onderneming, en wordt deze niet per ondernemingsactiviteit gesplitst. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de huuropbrengsten niet tot de omzet te rekenen. Volgens de door de Belastingdienst ontvangen aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies en mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de subsidie op € 0,- vast te stellen.
4.2
Het College oordeelt dat de ondernemer geen geslaagd beroep op het rechtzekerheidsbeginsel kan doen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het rechtzekerheidsbeginsel niet zo ver strekt dat hij een eerder gemaakte fout moet herhalen. Als de minister één keer een subsidie heeft verleend in afwijking van de TVL, is het in beginsel niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om dat in een andere subsidieperiode niet te doen (vergelijk (onder 2.7 van) de uitspraak van het College van 21 mei 2024, ECLI:NL:CBB:2024:341). Dat is hier het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Niet is gebleken dat de minister een concrete toezegging aan de ondernemer heeft gedaan dat de verhuuropbrengsten niet mee zouden worden genomen bij de berekening van de omzet en het omzetverlies. Het bestreden besluit bevat ook geen motiveringsgebrek. De minister heeft voldoende gemotiveerd gereageerd op de kernpunten uit het bezwaarschrift.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Voetnoten

1.Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.