De onderneming diende een aanvraag in voor de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022, maar deze aanvraag werd door de minister afgewezen wegens te late indiening. De aanvraagperiode liep van 28 februari tot en met 31 maart 2022, en de onderneming had geen aanvraag binnen deze periode ingediend.
De onderneming voerde aan dat de aanvraag te laat was omdat zij op advies van haar boekhouder meende niet in aanmerking te komen vanwege onvoldoende omzetverlies. De eigenaar had twijfels hierover en wilde dit bespreken, maar kon dit niet vanwege persoonlijke omstandigheden, waaronder de zorg voor een zieke vader en een burn-out van zijn echtgenote.
Het College oordeelde dat ondanks deze omstandigheden het niet onmogelijk was om tijdig een aanvraag in te dienen. De eigenaar had bijvoorbeeld zijn compagnon kunnen inschakelen. Het risico van de te late aanvraag lag bij de onderneming zelf. Het College bevestigde dat de minister op grond van de regeling en de Algemene wet bestuursrecht verplicht is een te late aanvraag af te wijzen en dat dit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Het beroep van de onderneming werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd.