Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 2]en
[naam 3], beiden te [woonplaats]
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De onderneming diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021. De minister wees deze aanvraag af omdat de onderneming niet voldeed aan het vereiste van minimaal 20% omzetverlies, waarbij als referentieperiode het vierde kwartaal van 2019 werd gehanteerd, conform de keuze van de onderneming.
De onderneming voerde aan dat vanwege haar inschrijving in het handelsregister in januari 2018, de bouw van een nieuw pand en de daaropvolgende opstartfase, de voorgeschreven referentieperiodes niet representatief waren. Zij stelde dat de minister analoge toepassing van artikel 2.5.3, derde lid, van de TVL had moeten toepassen of een andere oplossing die het evenredigheidsbeginsel eer aandoet.
Het College overwoog dat de uitzondering in artikel 2.5.3, derde lid, niet van toepassing was omdat de onderneming vóór 30 september 2019 was ingeschreven. Daarnaast oordeelde het College dat het feit dat het pand pas medio februari 2020 gereed was en de onderneming in de opstartfase zat bij de eerste lockdown, niet kwalificeert als een zeer uitzonderlijk geval dat een afwijking van de referentieperiodes rechtvaardigt.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd zonder zitting gedaan op 29 oktober 2024 door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag TVL Q4 2021 is ongegrond verklaard.