Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , ( [naam 1] )
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
Procesverloop
Overwegingen
-
subsidieperiode juni tot en met september 2020:referentieperiode oktober, november en december 2019 en januari 2020, de vier kalendermaanden volgend op de maand van de start van de activiteiten. De minister heeft 11 september 2019, de inschrijfdatum van de onderneming in het handelsregister, daarbij als start van de activiteiten van [naam 1] aangemerkt.
-
subsidieperiode Q4 van 2020: de standaard referentieperiode Q4 van 2019.
-
subsidieperiode Q1 van 2021: de alternatieve referentieperiode Q4 van 2019, zijnde het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de start van de activiteiten.
-
subsidieperiode Q4 van 2021: de (standaard) keuzereferentieperiode Q1 van 2020 die door [naam 1] in de aanvraag is opgegeven. [naam 1] heeft in geen van deze referentieperiodes omzet gehad. De minister is op basis daarvan dan ook tot de conclusie gekomen dat niet aan het vereiste minimum omzetverlies wordt voldaan.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten 2, 3 en 4;
- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de minister op in elke zaak het betaalde griffierecht van € 365,- aan [naam 1] te vergoeden;
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
3. In afwijking van het tweede lid is de omzet in de referentieperiode voor: