ECLI:NL:CBB:2024:754
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: minister mocht post onderhanden werk buiten omzetverliesberekening laten
De minister heeft de subsidie voor het vierde kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 vastgesteld op €5.731,04. De onderneming maakte bezwaar tegen het besluit omdat de minister de post 'onderhanden werk' op de winst- en verliesrekening van de referentieperiode niet had meegenomen bij de berekening van het omzetverlies. Volgens de onderneming betreft deze post omzet voor het kwartaal en had deze daarom meegenomen moeten worden.
Het College oordeelt dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens van de Belastingdienst, waarbij alleen omzet die op de aangifte omzetbelasting staat wordt meegenomen. Dit is een bewuste keuze van de regelgever om de regeling uitvoerbaar te houden en administratieve lasten te beperken. Omdat de onderneming aangifte doet over haar gehele omzet, is het correct dat de post 'onderhanden werk' niet is meegenomen.
De uitzondering in artikel 2.5.3, zesde lid, van de TVL-regeling geldt alleen voor ondernemers die niet over hun gehele omzet aangifte doen, wat hier niet het geval is. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat er geen afwijking is tussen het subsidiebesluit en het vaststellingsbesluit. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft gehandhaafd.