ECLI:NL:CBB:2024:789

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
1 november 2024
Zaaknummer
23/590
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing subsidie TVL wegens onvoldoende omzetverlies ongegrond verklaard

Een ondernemer heeft verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin zijn beroep tegen het besluit van de minister van Economische Zaken om de subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor juni tot en met september 2020 op nihil vast te stellen, werd verworpen.

De ondernemer voerde aan dat de verkoopopbrengst van een boot niet tot de omzet van zijn onderneming behoorde, omdat deze verkoop niet tot de normale bedrijfsvoering behoort maar noodzakelijk was om rekeningen te betalen. Het College heeft dit betoog reeds in de eerdere uitspraak verworpen, stellende dat volgens de gegevens van de Belastingdienst de opbrengst wel tot de omzet behoort.

Daarnaast oordeelde het College dat het gebruik van de gegevens van de Belastingdienst voor de berekening van het omzetverlies een bewuste keuze van de regelgever is om de uitvoerbaarheid en beperking van administratieve lasten te waarborgen, en dat dit geen onredelijk uitgangspunt is.

In het verzet heeft de ondernemer geen nieuwe gronden aangevoerd die de eerdere uitspraak zouden kunnen doen wijzigen. Daarom verklaart het College het verzet ongegrond en is de zaak hiermee definitief afgesloten.

Uitkomst: Het verzet van de ondernemer tegen de afwijzing van de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 op het verzet van

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)

en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigden: mr. drs. G.O. Hoeksma en mr. S.M. Piron)

Procesverloop

De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 18 juni 2024.
De zitting was op 17 oktober 2024. De gemachtigden van de minister hebben aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Met de uitspraak van 18 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:412) heeft het College het beroep van de ondernemer tegen het besluit van de minister van 2 februari 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode van juni tot en met september 2020 terecht op € 0,- heeft vastgesteld, omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De ondernemer heeft in het verzetschrift herhaald dat de verkoopopbrengst van de boot niet als omzet van zijn onderneming moet worden aangemerkt. De verkoop was nodig om de rekeningen te kunnen betalen en hoort niet bij de gewone bedrijfsvoering van de onderneming. Door de in de aangifte omzetbelasting opgegeven omzet te volgen gaat de minister voorbij aan de geest van de TVL.
3.1
Het betoog van de ondernemer dat de opbrengst van de verkoop van de boot niet tot de omzet behoort, heeft het College in zijn uitspraak van 18 juni 2024 besproken en verworpen onder verwijzing naar andere uitspraken van het College. De omstandigheid dat de verkoop van boten volgens de ondernemer niet tot de normale bedrijfsvoering behoort, is niet relevant. Volgens de gegevens van de Belastingdienst behoort de opbrengst daarvan wel tot de omzet. De minister is terecht uitgegaan van die gegevens.
3.2
Het betoog van de ondernemer dat de minister daarmee voorbijgaat aan de geest van de TVL, slaagt niet. Het College heeft in zijn uitspraak van 18 juni 2024 verwezen naar zijn vaste rechtspraak dat het de bewuste keuze van de regelgever is dat de minister om de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken de gegevens van de Belastingdienst gebruikt voor de berekening van het omzetverlies en dat dit geen onredelijk uitgangspunt is.
4 Het College stelt vast dat de ondernemer in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 18 juni 2024 niet juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. M. Ettema