ECLI:NL:CBB:2024:870

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
28 november 2024
Zaaknummer
23/964
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 2.5.3 Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19Art. 2:377 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 Q4 2021

De minister van Economische Zaken stelde de subsidie voor het vierde kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vast op nul euro en vorderde het betaalde voorschot terug. De onderneming stelde bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de onderneming beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De onderneming voerde aan dat het omzetverlies niet berekend moest worden op basis van de omzetbelastingaangifte, omdat daarin de post 'onderhanden projecten' niet was opgenomen. Zij verwees naar het jaarrekeningenrecht en een eerdere uitspraak van het College. Het College overwoog dat de minister terecht uitging van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting, omdat de onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting afdraagt. De post 'onderhanden projecten' is niet relevant voor de omzetberekening in dit kader.

Het College bevestigde dat de regeling bewust is ingericht om uitvoerbaar te zijn en administratieve lasten te beperken. De aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering op de systematiek. De wijze van berekening leidt niet tot strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de afwijzing van de subsidie TVL Q4 2021 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/964
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [plaats] (onderneming)

(gemachtigde: mr. M.P.M. Holslag RB)
en

de minister van Economische Zaken

Procesverloop

Met het besluit van 8 november 2022 heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 41.087,81 teruggevorderd.
Met het besluit van 21 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie van Q4 van 2021 vastgesteld op € 0,- omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat zij ten minste 20% omzetverlies heeft geleden.
3 De onderneming stelt dat het omzetverlies niet moet worden berekend op basis van de omzetgegevens zoals die volgen uit de aangifte omzetbelasting, omdat in de aangifte omzetbelasting de post 'onderhanden projecten' niet is opgenomen. De onderneming verwijst daarbij naar de uitspraak van het College van 26 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:270). Volgens de onderneming moet op grond van artikel 2.5.3, zesde lid, tweede volzin, van de TVL worden aangesloten bij haar financiële administratie, waarin de onderhanden projecten wel zijn opgenomen. De onderhanden projecten moeten als omzet worden beschouwd als bedoeld in artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Dit is in overeenstemming met het jaarrekeningenrecht. De manier waarop de minister de TVL uitvoert, pakt onredelijk bezwarend uit voor de onderneming en zij verzoekt daarom de subsidie alsnog te verstrekken.
4.1
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 4 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306). [1]
4.2
Het staat vast dat de onderneming aangifte omzetbelasting doet over haar gehele Nederlandse omzet. Het College is daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt. De minister heeft de post ‘onderhanden projecten’ terecht niet betrokken bij de berekening van het omzetverlies, omdat die niet op de aangifte omzetbelasting over de referentieperiode Q4 van 2019 staat. De tweede volzin van artikel 2.5.3, zesde lid, van de TVL, waar de onderneming naar verwijst, geldt voor ondernemers die niet over hun gehele omzet aangifte omzetbelasting doen. Dat is hier niet aan de orde. Bovendien geldt ook voor deze ondernemers dat de factuurdatum bepalend is voor het toerekenen van omzet aan een periode (vergelijk (onder 5.5 van) de uitspraak van het College van 12 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:483). Wat de onderneming heeft aangevoerd over de uitspraak van het College van 26 april 2022 leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak ging het namelijk over inkomsten uit fondsenwerving waarover geen omzetbelasting wordt betaald en daar is in deze zaak geen sprake van. Dat de wijze van berekening van het omzetverlies in het geval van de onderneming tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor subsidie, maakt niet dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel (vergelijk (onder 5.4 van) de uitspraak van het College van 13 augustus 2024, ECLI:NL:CBB:2024:561). Van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister een uitzondering had moeten maken, is niet gebleken. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie voor Q4 van 2021 op € 0,- vast te stellen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024.
w.g. B. Bastein w.g. I.E. van de Geest
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Voetnoten

1.De uitspraken van het College zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.