ECLI:NL:CBB:2024:896

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 oktober 2024
Publicatiedatum
4 december 2024
Zaaknummer
23/1165
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.4.18 TVLTijdelijke kaderregeling Europese CommissieArt. 107 VWEUArt. 108 VWEU
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens staatssteunplafond

De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar subsidieaanvraag voor het derde kwartaal van 2021 onder de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister wees de aanvraag af omdat de subsidie het toen geldende staatssteunplafond van € 1.800.000,- zou overschrijden.

De onderneming stelde dat het staatssteunplafond per 18 november 2021 was verhoogd naar € 2.300.000,- zoals bepaald in de Tijdelijke kaderregeling van de Europese Commissie en dat dit ook voor Q3 2021 toegepast moest worden. Het College oordeelde echter dat het staatssteunplafond van € 1.800.000,- correct was voor Q3 2021, zoals vastgelegd in artikel 2.4.18 van de TVL en bevestigd door de minister in een brief aan de Tweede Kamer.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat eerdere uitspraken een andere situatie betroffen waarbij het staatssteunplafond niet werd overschreden. De onderneming heeft ook niet onderbouwd dat het hanteren van het staatssteunplafond in het algemeen onevenredige gevolgen voor haar zou hebben.

De mondelinge uitspraak werd gedaan door rechter B. Bastein op 14 oktober 2024 en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag voor Q3 2021 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1165
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024

Rechter: mr. B. Bastein

Griffier: mr. M. Ettema

Partijen

[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming),

vertegenwoordigd door mr. I.V. Hermans en waarvoor aanwezig is [naam 2]
en

de minister van Economische Zaken,

vertegenwoordigd door mr. W. Dam en mr. P. van Veen

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De minister heeft de subsidieaanvraag voor het derde kwartaal (Q3) van 2021 afgewezen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL), omdat met de verlening van de subsidie het staatssteunplafond van € 1.800.000,- zou worden overschreden. De onderneming vindt dat de minister het per 18 november 2021 opgehoogde staatssteunplafond van € 2.300.000,- dat volgt uit de Tijdelijke kaderregeling van de Europese Commissie moet toepassen in Q3 van 2021. [1]
2 Het College oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat het staatssteunplafond € 1.800.000,- is in de subsidieperiode Q3 van 2021. Dat is bepaald in artikel 2.4.18, onderdeel c, onder 1, van de TVL. De vijfde wijzigingsregeling ten behoeve van de vijfde openstelling, waarin dat is bepaald, is door de Europese Commissie goedgekeurd op 26 juli 2021 (SA.63984 (2021/N)). De minister heeft in de brief aan de Tweede Kamer van 26 november 2021 (Kamerstukken II 2021/22, 35 420 nr. 458, p. 6) bevestigd dat het staatssteunplafond in de subsidieperiode Q4 van 2021 naar € 2.300.000,- zal worden opgehoogd. Uit het voorgaande volgt niet dat het staatssteunplafond met ingang van 18 november 2021 is opgehoogd overeenkomstig de Tijdelijke kaderregeling.
3 Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Ook in de uitspraak van 19 september 2023 (ECLI:Nl:CBB:2023:504) gold, anders dan onder 11 is beschreven, tot en met de TVL voor de subsidieperiode Q3 van 2021 het staatssteunplafond van € 1.800.000,- en is de onderneming in dat kwartaal onder dat subsidiebedrag gebleven. Dat is dus geen gelijk geval waarin de minister wel het staatssteunplafond van € 2.300.000,- in Q3 van 2021 heeft toegepast.
4 De onderneming heeft niet onderbouwd dat door het hanteren van een staatssteunplafond in zijn algemeenheid sprake is van onevenredige gevolgen voor de onderneming.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema

Voetnoten

1.Mededeling van de Commissie Zesde wijziging van de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak en wijziging van de bijlage bij de mededeling van de Commissie aan de lidstaten inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op kortlopende exportkredietverzekering 2021/C 473/01.