ECLI:NL:CBB:2025:147

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
20 februari 2025
Publicatiedatum
5 maart 2025
Zaaknummer
23/1336
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen afwijzing herzieningsverzoek subsidie vaste lasten COVID-19

Een onderneming heeft verzet aangetekend tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin een herzieningsverzoek tegen een vaststellingsbesluit van de minister van Economische Zaken werd afgewezen. Het vaststellingsbesluit betrof de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021, waarbij een deel van een eerder betaalde voorschotsubsidie werd teruggevorderd.

De onderneming stelde dat zij geen bezwaar had gemaakt tegen het vaststellingsbesluit omdat dit niet recht deed aan de bedoeling van de TVL-regeling, namelijk het financieel ondersteunen van ondernemers naar verhouding van omzetverlies. Zij voerde aan dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk was.

Het College oordeelde echter dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. De onderneming had de mogelijkheid gehad om bezwaar te maken tegen het vaststellingsbesluit en was direct na het indienen van haar vaststellingsverzoek op de hoogte van een fout in de aanvraag. Het niet indienen van bezwaar kwam voor haar eigen rekening en risico.

Omdat de onderneming in het verzet geen nieuwe argumenten had aangevoerd die het eerdere oordeel konden wijzigen, verklaarde het College het verzet ongegrond.

Uitkomst: Het verzet van de onderneming tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1336
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025

Rechter: mr. R.W.L. Koopmans

Griffier: J.R. Willemstein

Partijen

[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma en C. Zieleman

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Overwegingen

1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 26 november 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:851). De onderneming had herziening gevraagd van het besluit van de minister van 5 augustus 2022 (vaststellingsbesluit). In dat besluit is de eerder verleende subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021 vastgesteld en een gedeelte van het betaalde voorschot teruggevorderd. Het College heeft geoordeeld dat de minister het herzieningsverzoek heeft mogen afwijzen, omdat de onderneming geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Dat de onderneming een fout had gemaakt bij het invullen van haar vaststellingsverzoek, had de onderneming in bezwaar tegen het vaststellingsbesluit kunnen aanvoeren. Het College achtte de afwijzing van het herzieningsverzoek ook niet evident onredelijk. De enkele omstandigheid dat het vaststellingsbesluit financiële gevolgen heeft voor de onderneming, is daarvoor onvoldoende.
2 De onderneming stelt zich op het standpunt dat door haar tegen te werpen dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het vaststellingsbesluit geen recht wordt gedaan aan de bedoeling van de TVL, die toch als doel had om ondernemers financieel te ondersteunen in verhouding tot hun omzetverlies. Er is sprake van een evidente onredelijkheid.
3 Het College is van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voor het oordeel dat de weigering om een eerder besluit te herzien evident onredelijk is, moeten zich bijzondere feiten of omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de onderneming minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de onderneming. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen het vaststellingsbesluit. De onderneming was er direct na het indienen van haar vaststellingsverzoek al van op de hoogte dat zij een fout had gemaakt bij het invullen daarvan. In bezwaar had de onderneming dit aan de orde kunnen stellen. Dat de onderneming geen bezwaar heeft gemaakt komt voor haar rekening en risico.
4 Nu de onderneming in verzet verder niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 26 november 2024 niet juist is, is het verzet ongegrond.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.R. Willemstein