De vennootschap exploiteert een melkveehouderij en kreeg een randvoorwaardenkorting opgelegd voor het jaar 2018 vanwege onjuiste registratie van moederidentificatiecodes bij 22 kalveren en het niet melden van de dood van vier runderen, evenals een onjuiste doodmelding van één rund. Na eerdere procedures en vernietigingen van besluiten, stelde de minister in een herziene beslissing de korting vast op 5%, waarbij opzet niet langer werd aangenomen maar nalatigheid wel.
De vennootschap voerde diverse bezwaren aan, waaronder het ontbreken van opzet, onjuiste geboortedata, en schending van het vertrouwensbeginsel, maar het College verwierp deze. Het College oordeelde dat de minister bevoegd was om opnieuw een randvoorwaardenkorting op te leggen op basis van het feitencomplex en dat het beroep op het ne-bis-in-idem beginsel niet slaagde omdat het hier geen bestraffende sanctie betreft.
Verder werd geoordeeld dat de minister het beroep van de vennootschap ontvankelijk had verklaard en dat de vennootschap voldoende gelegenheid had gehad haar standpunten te presenteren. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, maar een verzoek om integrale kostenvergoeding werd afgewezen. De vennootschap kreeg een immateriële schadevergoeding van €3.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar een aanvullende vergoeding werd afgewezen.
Het College bevestigde dat de minister terecht het kortingspercentage verhoogde tot 5% vanwege de ernst van de niet-naleving en concludeerde dat het beroep ongegrond is. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.312,70.