Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2025:279

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 mei 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
23/1382
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar subsidie vaste lasten COVID-19 ongegrond verklaard

De onderneming heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak van het College van 18 juni 2024, waarin haar beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen het vaststellingsbesluit subsidie vaste lasten COVID-19 ongegrond werd verklaard.

De minister had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De onderneming stelde dat zij niet tijdig op de hoogte was gesteld van het vaststellingsbesluit en dat de termijnoverschrijding te wijten was aan drukte en een ongelukkige opeenvolging van gebeurtenissen.

Het College oordeelde dat het vaststellingsbesluit op de juiste wijze bekend was gemaakt via de digitale omgeving en een notificatiebericht naar het opgegeven e-mailadres. De onderneming droeg zelf de verantwoordelijkheid om de berichten in de gaten te houden en tijdig bezwaar te maken. De termijnoverschrijding werd daarom niet verschoonbaar geacht.

Ook het argument dat het opgegeven e-mailadres onjuist was, werd verworpen omdat eerdere e-mails wel waren ontvangen. Het College concludeerde dat de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar terecht was en dat de minister de onderneming niet hoefde te horen.

Het verzet werd ongegrond verklaard, waarmee de zaak definitief werd afgesloten zonder inhoudelijke behandeling van het beroep.

Uitkomst: Het verzet van de onderneming wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1382

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 mei 2025 op het verzet van

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)

(gemachtigde: [naam 2] )

Procesverloop

De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 18 juni 2024.
De zitting was op 6 februari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de [naam 3] en [naam 4] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister van Economische Zaken mr. P. van Veen en mr. S. Piron.

Overwegingen

1. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) beslist op het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 7 december 2022 tot vaststelling op nihil van de eerder voor het vierde kwartaal van 2021 verleende subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (het vaststellingsbesluit). De minister heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Met de uitspraak van 18 juni 2024 heeft het College het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2 In verzet heeft de onderneming aangevoerd dat zowel het notificatiebericht van 11 juli 2022 over de aanlevering van omzetgegevens voor de vaststelling als het notificatiebericht van 7 december 2022 over het vaststellingsbesluit, aan haar aandacht is ontsnapt. Pas na de brief van 2 maart 2023 over de terugbetaling werd het de onderneming duidelijk dat zij omzetgegevens had moeten doorgeven. Toen heeft de onderneming alsnog bezwaar gemaakt tegen het vaststellingsbesluit. Dat te laat bezwaar is gemaakt, komt door de grote drukte en een ongelukkige opeenvolging van zaken die misgingen. Dat de minister de onderneming in bezwaar niet heeft gehoord, is een gemiste kans. De onderneming vindt enige coulance op haar plaats.
3 Het College stelt vast dat de minister het vaststellingsbesluit op 7 december 2022 op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt door plaatsing in de digitale omgeving van de onderneming. Ook heeft de minister op die dag een notificatiebericht verzonden naar het door de onderneming bij de subsidieaanvraag opgegeven e-mailadres. De laatste dag van de bezwaartermijn was 18 januari 2023. De minister heeft het bezwaarschrift op 13 maart 2023 per post ontvangen. Dat de onderneming daarmee te laat bezwaar heeft gemaakt, is niet in geschil.
4 Voor het kader voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in het algemeen verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding aan de onderneming kan worden toegerekend. Die vraag beantwoordt het College bevestigend. Het vaststellingsbesluit stond klaar in de digitale omgeving en er is een notificatiebericht verzonden naar het e-mailadres dat was opgegeven bij de subsidieaanvraag. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om zelf de aan haar gezonden berichten in de gaten te houden, vervolgens het portaal te raadplegen en zo nodig, ook in een drukke periode, tijdig bezwaar te maken. Dit geldt te meer nu de onderneming wist dat de subsidie na de verlening, net als in andere kwartalen, nog moest worden vastgesteld. Dat de onderneming er pas na afloop van de bezwaartermijn achter kwam dat een vaststellingsbesluit was genomen, maakt de termijnoverschrijding daarom niet verschoonbaar. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
5 Op de zitting heeft de onderneming nog aangevoerd dat het bij de aanvraag opgegeven e-mailadres niet juist zou zijn omdat daarin een punt ontbreekt. Deze stelling brengt het College niet tot een ander oordeel. Allereerst is het de verantwoordelijkheid van de onderneming om bij de aanvraag het juiste emailadres op te geven. Bovendien heeft de onderneming verklaard eerdere e-mails over andere kwartalen die volgens de minister naar hetzelfde e-mailadres zijn verzonden, wel te hebben ontvangen. Hieruit leidt het College af dat de onderneming wel bereikbaar was op het opgegeven e-mailadres.
6 Gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden heeft de minister ook terecht geoordeeld dat de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar kennelijk was, zodat hij de onderneming niet hoefde te horen.
7 De conclusie is dat de uitspraak van 18 juni 2024 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de onderneming niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M. Schoneveld en
mr. D. Brugman, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2025.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer