Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 mei 2025 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats] (veehouder)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Procesverloop
Overwegingen
De veehouder verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Alle overige beroepsgronden treffen volgens de minister geen doel. Geen rechtsregel verzet zich tegen samenloop van het strafrecht en bestuursrecht en de veehouder maakt niet duidelijk waarom de cautie in dit bestuursrechtelijke geschil had moeten worden gegeven. Gelet op de rapporten 1 en 2 bestonden de overtredingen nog ten tijde van de hercontroles. De veehouder heeft geen argumenten aangevoerd die zich verzetten tegen invordering van de dwangsommen.
Wat betreft het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn laat de minister het oordeel daarover aan het College.
.Voor zover dat belang aanwezig wordt geacht, zal het College daarna de rechtmatigheid van het bestreden besluit beoordelen.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op invorderingsbesluit 1;
- herroept invorderingsbesluit 1 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- aan de veehouder te vergoeden;
Bijlage
1. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen.
2. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerdere een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, is bekendgemaakt.
1. Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
[…]