In deze zaak verzocht [naam 1] het College van Beroep voor het bedrijfsleven om herziening van de uitspraak van 17 september 2024, waarin haar hoger beroep tegen een accountantskameruitspraak ongegrond werd verklaard. De klacht van [naam 1] betrof vermeende schendingen van de AVG door haar voormalige werkgever en betrokken accountants.
Tijdens de zitting op 21 mei 2025 stelde [naam 1] dat het College de Europese privacywetgeving niet correct had toegepast en dat het verzoek om herziening ontvankelijk moest worden verklaard op grond van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de EU. Zij wilde ook dat het College het handelen van betrokkenen opnieuw zou toetsen en erkende dat de schending van haar privacy recht gaf op compensatie.
Het College overwoog dat de Wet tuchtrechtspraak accountants geen mogelijkheid biedt tot herziening van onherroepelijke uitspraken, behalve in bijzondere gevallen en alleen door de aangeklaagde accountant. Omdat [naam 1] als klager in de tuchtprocedure geen herzieningsverzoek kan indienen, werd haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het College wees tevens op andere rechtswegen voor bescherming van privacyrechten en benadrukte dat de tuchtrechtspraak primair het functioneren van accountants reguleert.
De uitspraak werd gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. S.C. Stuldreher en mr. M.M. Smorenburg op 8 juli 2025.