In deze zaak verzocht [naam 1], klager in een accountantstuchtprocedure, om herziening van een onherroepelijke uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 11 juni 2019, waarin zijn hoger beroep ongegrond werd verklaard.
Het College overwoog dat de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) geen voorziening bevat voor herroeping of herziening van uitspraken van het College op hoger beroep tegen een uitspraak van de accountantskamer, behalve voor de accountant zelf indien een maatregel is opgelegd. Het beroep van verzoeker op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het EVRM werd verworpen, omdat deze niet van toepassing zijn op de klagende partij die geen tuchtmaatregel ondergaat.
Het College stelde dat de tuchtprocedure gericht is op het gedrag van de accountant en niet op de burgerlijke rechten van de klager. Bovendien staat de civiele procedure voor schadevergoeding open zonder dat een herzieningsuitspraak vereist is. Het beroep op het discriminatieverbod werd afgewezen omdat niet is gebleken dat vergelijkbare gevallen bestaan in andere tuchtrechtelijke systemen.
Daarom verklaarde het College het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 30 mei 2023.