ECLI:NL:CBB:2025:48

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 januari 2025
Publicatiedatum
24 januari 2025
Zaaknummer
24/502
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar subsidie vaste lasten COVID-19

De onderneming heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Economische Zaken inzake subsidie vaste lasten COVID-19. Na eerdere afwijzingen en een deels gegrond verklaard bezwaar met een subsidie van €9.209,88, werd een herzieningsverzoek afgewezen. De onderneming diende vervolgens een bezwaarschrift in na de wettelijke termijn van zes weken.

De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De onderneming voerde aan dat zij door eerdere afwijzingen ontmoedigd was en pas na advies van een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bezwaar maakte. Het College oordeelde dat de termijnoverschrijding aan de onderneming kan worden toegerekend, omdat zij bewust koos geen tijdig bezwaar te maken en bekend was met de termijn.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige bezwaarindiening en de strikte toepassing van de termijnen in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege niet-ontvankelijkheid wegens niet-tijdig ingediend bezwaar en niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/502

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen

[naam 1] V.o.f., te [woonplaats] (onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigden: mr. S. Piron en C. Zieleman)

Procesverloop

Met het besluit van 7 december 2023 heeft de minister het herzieningsverzoek van de onderneming van 19 oktober 2023 afgewezen. De onderneming heeft herziening gevraagd van de beslissing op bezwaar van 21 maart 2023, waarin het bezwaar tegen het besluit van
10 mei 2022 deels gegrond is verklaard en een subsidie is verleend van € 9.209,88.
Met het besluit van 22 april 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming niet-ontvankelijk verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 13 januari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.

Overwegingen

Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, in samenhang met artikel 6:7 van Pro de Awb, dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar. Dat de onderneming na afloop van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt, is niet in geschil.
De onderneming voert aan dat zij het, na wederom een afwijzing te hebben ontvangen, min of meer had opgegeven. Zij heeft daarom in eerste instantie geen bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek, maar een betalingsregeling aangevraagd. Naar aanleiding daarvan kreeg zij een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan de lijn die haar aanraadde bezwaar te maken. De onderneming heeft toen, ondanks dat de termijn al verstreken was, toch bezwaar gemaakt. Het bestreden besluit voelt alsof ze wederom tegen een muur oploopt.
Voor het beoordelingskader voor de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding aan de onderneming kan worden toegerekend. Het College begrijpt dat de onderneming er, na al verschillende procedures te hebben gevoerd, wellicht geen heil meer in zag om opnieuw bezwaar te maken. Dat is echter een keuze die voor haar rekening dient te blijven. Zij was, zo blijkt uit het feit dat zij voor eerdere subsidieperiodes (succesvol) bezwaar heeft gemaakt, op de hoogte van de bezwaartermijn van zes weken. Zij heeft er echter bewust voor gekozen om ditmaal geen gebruik te maken van de mogelijkheid om bezwaar te maken. De termijnoverschrijding kan daarom aan haar worden toegerekend.
Het beroep is ongegrond.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk