Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., te [woonplaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel)
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister)
Procesverloop
Overwegingen
Het College beoordeelt vervolgens eerst de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de beleidsregel waarmee de minister de vergoeding heeft vastgesteld. Daarbij gaat het over de berekening van de geleden inkomensschade (onder 5). Daarbij beoordeelt het College tevens de beroepsgronden over de toepassing van de beleidsregel op de onderneming en afwijking van de beleidsregel. Onder 6 wordt beoordeeld of de onderneming ook aanspraak maakt op vergoeding voor het niet meer kunnen drogen van pelzen voor derden. Onder 7 beoordeelt het College de beroepsgronden tegen de korting van 15% op de vergoeding op grond van “normaal maatschappelijk risico”. Onder 8 beoordeelt het College het verzoek van de onderneming om een vergoeding toe te kennen van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aan het slot (onder 9) komen de conclusies.
De procedure
4.4 De verschillende componenten van de vergoeding kunnen tot onder- respectievelijk overcompensatie leiden. Dit komt duidelijk naar voren uit het advies van de STAB. Uit dit advies komt eveneens naar voren dat een andere manier van vaststellen van de inkomensschade dan in de beleidsregel is gekozen mogelijk tot een nauwkeuriger vergoeding zou kunnen leiden. Het College overweegt naar aanleiding hiervan dat hij de vergoeding zoals berekend op grond van de artikelen 4 tot en met 8 van de beleidsregel als één geheel beoordeelt. Dat betekent dat niet bepalend is of de toepassing van een enkele component tot over- dan wel ondercompensatie leidt, zolang de vergoeding zoals die door de minister is vastgesteld maar niet tot ondercompensatie leidt. Uiteindelijk moet de vergoeding immers voldoende zijn om aan het vereiste van “fair balance” te voldoen. Voor het geval de toegekende vergoeding in het concrete geval tot overcompensatie leidt maakt dat de vergoeding niet onrechtmatig. Er is immers in de rechtsverhouding tussen de minister en de betrokken onderneming geen rechtsregel die aan overcompensatie in de weg staat. Evenmin zijn er derde-belanghebbenden die nadeel kunnen ondervinden van eventuele overcompensatie. Alle pelsdierhouders in Nederland zijn immers gelijktijdig, op 8 januari 2021, gedwongen gestopt met hun ondernemingen. De aftrek van 15% als normaal maatschappelijk risico beoordeelt het College wel afzonderlijk op rechtmatigheid, omdat deze los staat van de berekening van de vergoeding zelf.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het besluit van 14 juli 2021, voor zover de minister daarbij heeft beslist dat de inkomstenderving door het wegvallen van pelzen voor derden niet in aanmerking komt voor vergoeding en verklaart de minister onbevoegd om daarover een besluit te nemen;
- draagt de minister op binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,