Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. H.X. Botter)
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister)
Procesverloop
Overwegingen
Het College beoordeelt vervolgens eerst de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de beleidsregel waarmee de minister de vergoeding heeft vastgesteld. Daarbij gaat het over de berekening van de geleden inkomensschade (onder 5) en de aftrek die is toegepast bij bedrijven die in 2020 zijn geruimd of leegstonden (onder 6). Daarbij beoordeelt het College tevens de beroepsgronden over de toepassing van de beleidsregel op de onderneming en afwijking van de beleidsregel. Onder 7 beoordeelt het College de beroepsgronden tegen de korting van 15% op de vergoeding op grond van “normaal maatschappelijk risico”. Aan het slot (onder 8) komen de conclusies.
2.2 Op 15 januari 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij (Wvp) in werking getreden. Op grond van artikel 2 van Pro de Wvp is het vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet in 2013 verboden in Nederland pelsdieren te houden. Voor de op dat tijdstip bestaande pelsdierhouderijen gold op grond van artikel 4 van Pro de Wvp een overgangsrechtelijke bescherming tot 1 januari 2024. Deze bescherming was alleen van toepassing op de houder van een pelsdierhouderij die op grond van artikel 3 van Pro de Wvp melding deed van een plaats (locatie) waarop met vergunning nertsen werden gehouden, van de vergunde dieraantallen en het aantal huisvestingsplaatsen.
5.8 De minister heeft de onderneming met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb een extra vergoeding toegekend vanwege de schaalvoordelen van de onderneming. Deze extra vergoeding bedraagt € 6,08 per rechtens te houden fokteef per gemist productiejaar. De onderneming heeft gesteld dat zij in aanmerking moet komen voor een nog hogere waardevergoeding omdat zij door schaalvoordelen lagere kosten had dan door de minister begroot. Bovendien realiseerde zij een hogere opbrengst per pels doordat zij een grote speler is op de markt en zij in een periode met lage marktprijzen pelzen kon bewaren totdat de marktprijzen waren gestegen. Verder bedroeg de worpgrootte per fokteef 5,6 pups in plaats van 5,5 waar de KWIN-kengetallen van uitgaan.
Normaal maatschappelijk risico
Conclusies
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen deze uitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden.