ECLI:NL:CBB:2025:568
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- T. Pavićević
- C.T. Aalbers
- M.L. Noort
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid berekening stikstof- en fosfaatgehalte eindvoorraad mest 2018
De onderneming exploiteert een varkenshouderij en werd gecontroleerd op naleving van de meststoffenregelgeving in 2018. Naar aanleiding van een rapport van bevindingen legde de minister een boete op wegens overschrijding van gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en stikstof. De rechtbank verklaarde het beroep van de onderneming ongegrond en oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van de gemiddelde gehalten van de in 2018 afgevoerde mest.
In hoger beroep betoogde de onderneming dat de minister onjuist heeft gehandeld door niet uit te gaan van meer representatieve gegevens, zoals gemiddelden over meerdere jaren. Het College overwoog dat het lex certa-beginsel niet is geschonden en dat de toelichting bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet voldoende duidelijkheid biedt over het begrip 'best beschikbare gegevens'.
Omdat gegevens over de gehele voorraad niet beschikbaar waren, was het volgens het College juist om te rekenen met de gemiddelde gehalten van de bemonsterde en geanalyseerde mest die in 2018 is afgevoerd. De onderneming kon niet aannemelijk maken dat deze gegevens niet representatief waren. Het College bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister heeft terecht de gemiddelde gehalten van de in 2018 afgevoerde mest gebruikt.