De veehouderij had in 2018 een derogatievergunning voor een verhoogde stikstofgebruiksnorm. Toezichthouders constateerden overtredingen op perceel 48, dat als grasland was opgegeven maar feitelijk werd gebruikt voor graszodenproductie. De minister legde een boete op wegens overschrijding van de meststoffen- en stikstofgebruiksnormen en trok de derogatievergunning in.
De rechtbank oordeelde dat perceel 48 niet tot de normale bedrijfsvoering behoorde en dat de veehouderij onvoldoende bewijs leverde voor de mestafvoer naar dit perceel en de juistheid van de beginvoorraad mest. De boete werd gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep bevestigt het College dat perceel 48 buiten beschouwing mag blijven bij de normbepaling en dat de veehouderij niet met objectief verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat meststoffen op dat perceel zijn afgevoerd. Ook de beginvoorraad mest is juist vastgesteld door de minister. De boete wordt niet verder gematigd omdat de overschrijding substantieel is en mede veroorzaakt door onjuiste opgaven. De redelijke termijn is met ruim anderhalf jaar overschreden, maar verdere matiging is niet gerechtvaardigd.