In deze zaak heeft de veehouderij hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, waarin de rechtbank het beroep gegrond verklaarde op basis van een overschrijding van de redelijke termijn. De veehouderij, die een melkveebedrijf exploiteert, had in 2018 een derogatievergunning die het gebruik van meer stikstof uit dierlijke mest toestond. Echter, toezichthouders van de NVWA constateerden overtredingen van de Meststoffenwet, wat leidde tot de intrekking van de vergunning en een boete van € 33.103,70. De minister verlaagde deze boete later naar € 32.192,-. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had aangenomen dat een specifiek perceel niet tot de normale bedrijfsvoering behoorde en dat de veehouderij niet met objectieve gegevens had aangetoond dat de opgegeven mestvoorraad onjuist was. In hoger beroep werd de vraag of de meststoffen op het betreffende perceel in mindering moesten worden gebracht op de overschrijding van de gebruiksnormen besproken. Het College bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de veehouderij niet met overtuigend bewijs had aangetoond dat de gebruiksnormen niet waren overschreden. De boete werd niet gematigd, omdat de overschrijding substantieel was. De redelijke termijn was wel overschreden, maar dit was al in de eerdere uitspraak meegenomen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.