In deze tussenbeslissing van 27 oktober 2025 behandelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven verzoeken in hoger beroep tegen uitspraken van de accountantskamer. De verzoeken betroffen onder meer het toelaten van een oorspronkelijk klager als partij in andere procedures en het opnemen van stukken uit die procedures in het dossier van de huidige zaken.
Het College oordeelt dat er geen grond is om de verzoeker als partij toe te laten in de andere procedures, omdat deze alleen tussen de oorspronkelijke partijen lopen. Ook wijst het College het verzoek af om stukken uit andere procedures op te nemen in het dossier van de huidige zaken, omdat de wet geen grondslag biedt voor het voegen van zaken in hoger beroep.
Wel staat het College toe dat de betrokken accountant in hoger beroep gebruikmaakt van stukken die door de wederpartij zijn ingebracht en die onder het verschoningsrecht van de oorspronkelijk klager vallen. Dit is in het belang van een eerlijk proces en het beginsel van wapengelijkheid. Het College stelt termijnen voor het aanvullen van de gronden van hoger beroep en voor het reageren daarop, en houdt verdere beslissingen aan.