ECLI:NL:CBB:2025:638

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
21/400 en 21/401
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 22 RvArt. 22 lid 4 WtraArt. 43e Wtra
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeslissing over partijtoelating en gebruik van stukken onder verschoningsrecht in accountantstuchtprocedures

In deze tussenbeslissing van 27 oktober 2025 behandelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven verzoeken in hoger beroep tegen uitspraken van de accountantskamer. De verzoeken betroffen onder meer het toelaten van een oorspronkelijk klager als partij in andere procedures en het opnemen van stukken uit die procedures in het dossier van de huidige zaken.

Het College oordeelt dat er geen grond is om de verzoeker als partij toe te laten in de andere procedures, omdat deze alleen tussen de oorspronkelijke partijen lopen. Ook wijst het College het verzoek af om stukken uit andere procedures op te nemen in het dossier van de huidige zaken, omdat de wet geen grondslag biedt voor het voegen van zaken in hoger beroep.

Wel staat het College toe dat de betrokken accountant in hoger beroep gebruikmaakt van stukken die door de wederpartij zijn ingebracht en die onder het verschoningsrecht van de oorspronkelijk klager vallen. Dit is in het belang van een eerlijk proces en het beginsel van wapengelijkheid. Het College stelt termijnen voor het aanvullen van de gronden van hoger beroep en voor het reageren daarop, en houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Verzoeken om partijtoelating en opname van stukken worden afgewezen, maar gebruik van stukken onder verschoningsrecht in hoger beroep wordt toegestaan.

Uitspraak

beslissing

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 21/400 en 21/401

tussenbeslissing van 27 oktober 2025 in de hoger beroepsprocedures van

[naam 1]

(gemachtigde: mr. A.H. Gaastra)
en

[naam 2]

(gemachtigde: mr. M.G. Kelder )

Procesverloop in hoger beroep

[naam 3] en [naam 2] hebben beiden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 12 februari 2021, 20/585 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2021:15), waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 3] tegen [naam 2] . Deze hoger beroepen zijn bij het College geregistreerd onder zaaknummers 21/400 en 21/401.
Bij het College zijn tevens aanhangig de hoger beroepen tegen de uitspraken van de accountantskamer van 12 februari 2021, 19/1059 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2021:17) en 21 december 2023, 23/882 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2023:58), waarbij is beslist op klachten van [naam 4] tegen [naam 2] . Deze hoger beroepen hebben respectievelijk zaaknummers 21/392 en 21/393 en zaaknummers 24/121 en 24/122.
Bij tussenbeslissing van 16 januari 2025 in de zaken 21/392, 21/393, 24/121 en 24/122 (ECLI:NL:CBB:2025:27) heeft het College naar aanleiding van het verzoek van [naam 2] van 16 juli 2024 onder meer bepaald dat het [naam 4] niet meer vrijstaat in deze procedures (jegens [naam 2] en het College) zijn verschoningsrecht in te roepen ten aanzien van stukken die hij zelf in deze procedures heeft ingebracht.
[naam 2] heeft erop gewezen dat zijn verzoek van 16 juli 2024 tevens betrekking heeft op de procedure in de zaken 21/400 en 21/401 en het College verzocht ook in die zaken een tussenbeslissing te nemen.
[naam 1] hebben het College bij brief van 11 april 2025 verzocht een beslissing te nemen over de volgende primaire en subsidiaire verzoeken:
“ primair
( i) [naam 1] aan te merken als partij in de zaken 21/392, 21/393 en 24/121, 24/122 en hem/hen toe te laten als partij in die zaken, alsmede;
(ii) opname van de stukken in de zaken 21/392, 21/393 en 24/121, 24/122 in het hoger beroepsdossier in de zaken […] 21/400 en 21/401 […], waaronder maar niet beperkt tot de tussenbeslissing van uw College en de daarop betrekking hebbende stukken, en het verschaffen van inzage in deze stukken aan mij en mijn cliënt;
subsidiair;
(iii) opname van de stukken in de zaken 21/392, 21/393 en 24/121, 24/122 in het hoger beroepsdossier in de zaken […] 21/400 en 21/401 […] waaronder maar niet beperkt tot eventuele tussenbeslissingen van uw College en de daarop betrekking hebbende stukken, en het verschaffen van inzage in deze stukken aan mij en mijn cliënt, voor zover deze stukken mede betrekking hebben op de in de zaken van mijn cliënt aan de orde zijnde onderwerpen van hoger beroep;
meer subsidiair;
(iv) opname van eventuele tussenbeslissingen van uw College in de zaken 21/392, 21/393 en 24/121, 24/122 en de daarop betrekking hebbende stukken, in het dossier van mijn cliënt […] en het aan mij en mijn cliënt verschaffen van inzage in deze stukken;
nog meer subsidiair;
( v) […] [naam 2] …] op de voet van de artikelen 21 en 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bevelen, de hiervoor onder (i) tot en met (iv) bedoelde stukken, in de zaken 21/400 en 21/401 […] als bescheiden over te leggen.”

Overwegingen

Ten aanzien van de verzoeken van [naam 1]
1. Het College ziet geen grond om [naam 1] aan te merken als partij in de hogerberoepsprocedures in de zaken 21/392, 21/393, 24/121 en 24/122. Bij de tuchtklachten die in die procedures aan de orde zijn, zijn alleen [naam 4] en [naam 2] partij. Nu [naam 3] geen partij was bij die procedures, zijn [naam 1] dat evenmin.
2 Het College ziet ook geen grond (de) op de zaken 21/392, 21/393, 24/121 en 24/122 betrekking hebbende stukken op te nemen in het dossier van de zaken 21/400 en 21/401. Bij de behandeling van de klachten in de zaken 19/1059 Wtra AK en 20/585 Wtra AK heeft de accountantskamer geen toepassing gegeven aan de in artikel 22, vierde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) genoemde bevoegdheid om zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling te voegen. De Wtra biedt geen grondslag zaken in hoger beroep alsnog te voegen. Artikel 22, vierde lid, van de Wtra behoort niet tot de bepalingen die in artikel 43e van de Wtra op het rechtsgeding in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Voor zover partijen in de zaken 21/400 en 21/401 van mening zijn dat op de zaken 21/392, 21/393, 24/121 en 24/122 betrekking hebbende stukken ook op hun zaak betrekking hebben, zullen zij deze zelf moeten indienen, voor zover zij daarover beschikken of kunnen beschikken.
3 Gelet op het vorenstaande is voor de overige verzoeken van [naam 1] eveneens geen grondslag aanwezig. De vraag of ten behoeve van de beoordeling van de hogerberoepsgronden in de zaken 21/400 en 21/401 nadere stukken in geding zullen moeten worden gebracht, zal, indien aan de orde, afzonderlijk moeten worden beoordeeld. De tussenbeslissing van 16 januari 2025 is niet van toepassing op de zaak tussen [naam 2] en [naam 1] en is, zoals in het voorgaande is vermeld, openbaar gemaakt.
Ten aanzien van het verzoek van [naam 2]
4 In de tussenbeslissing van 16 januari 2025 heeft het College vastgesteld dat de stukken waarnaar partijen in de zaken 21/392, 21/393, 24/121 en 24/122 verwijzen onder het verschoningsrecht van [naam 4] vallen en dat [naam 4] deze stukken zelf bij de accountantskamer heeft ingediend. Gelet daarop heeft het College geoordeeld dat [naam 4] in die procedures tegenover de in die gedingen betrokken wederpartij en het College in zoverre geen beroep meer kan doen op dat recht. Dit betekent concreet dat [naam 4] , ten aanzien van deze stukken – met name e-mailberichten en een advies van de Landsadvocaat waarin zou worden geciteerd uit deze e-mailberichten – in die procedures bij het College niet [naam 2] – door middel van een beroep op zijn verschoningsrecht – kan beletten om in die procedures uit de inhoud van deze e-mailberichten te citeren dan wel te parafraseren, dan wel naar de inhoud daarvan te verwijzen. Nu [naam 4] deze e-mailberichten zelf heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn tuchtklachten, brengt het recht op een eerlijk proces en meer in het bijzonder het beginsel van wapengelijkheid mee dat [naam 2] zich in die procedures zonder belemmeringen daartegen moet kunnen verweren. Daarbij heeft het College tevens overwogen dat het belang van het verschoningsrecht er met name in is gelegen dat de inhoud van de e-mailberichten niet tegen de bij deze berichten betrokken cliënten van [naam 4] mag worden gebruikt in enige procedure waarbij zij partij zijn. In de twee tuchtprocedures die [naam 4] aanhangig heeft gemaakt zijn die cliënten niet betrokken. Verder heeft het College daarbij aangetekend dat de vertrouwelijkheid van deze stukken jegens derden en buiten deze procedures nog immer kan worden gewaarborgd door een beroep van [naam 4] op zijn verschoningsrecht. Buiten deze procedures blijft het verschoningsrecht van [naam 4] immers ook voor deze stukken gelden.
5 Het College stelt vast dat [naam 3] in de tuchtklachtprocedure jegens [naam 2] stukken heeft ingebracht die onder het verschoningsrecht van [naam 4] vallen. Voor het College is een gegeven dat deze stukken onderdeel zijn geworden van de procedure jegens [naam 2] en bij de beoordeling in eerste aanleg van de tuchtklacht van [naam 3] zijn betrokken. In de procedure met zaaknummers 21/400 en 21/401 brengt het recht op een eerlijk proces en meer in het bijzonder het beginsel van wapengelijkheid eveneens mee dat [naam 2] zich tegen deze stukken (of citaten daaruit of parafraseringen van passages daaruit) moet kunnen verdedigen. [naam 2] heeft derhalve het recht om die stukken, citaten of parafraseringen voor zijn verdediging in hoger beroep te gebruiken.
6 Het College stelt [naam 2] daarom thans – met inachtneming van het vorenstaande – in de gelegenheid de gronden van zijn hoger beroep nader aan te vullen. Het College stelt hiervoor een termijn van vier weken na deze tussenbeslissing.
7 Vervolgens krijgen [naam 1] vier weken de gelegenheid om te reageren.
8 Partijen ontvangen apart bericht over het vervolg van de procedure.

Beslissing

Het College:
1. wijst de verzoeken van [naam 1] af;
2. bepaalt dat [naam 2] in hoger beroep gebruik mag maken van door [naam 3] ingebrachte stukken die onder het verschoningsrecht van [naam 4] vallen;
3. stelt [naam 2] in de gelegenheid om de gronden van zijn hoger beroep aan te vullen binnen een termijn van vier weken na deze tussenbeslissing;
4. bepaalt dat [naam 1] hierop mogen reageren binnen een termijn van vier weken na ontvangst hiervan;
5. bepaalt dat van voormelde termijnen in beginsel geen uitstel wordt verleend;
6. houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus genomen door mr. H.O. Kerkmeester, mr. J.L. Verbeek en mr. H.S.J. Albers, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier, op 27 oktober 2025.
w.g. H.O. Kerkmeester De griffier is verhinderd de beslissing mede te ondertekenen.