Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Aangevallen uitspraak
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De onderneming, een intermediair in dierlijke meststoffen, kreeg een boete opgelegd wegens het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht zoals opgenomen in artikel 14 van Pro de Meststoffenwet. De boete betrof een periode van april 2015 tot juli 2018 en werd door de minister vastgesteld op €16.192,-, gematigd tot €14.572,80 vanwege overschrijding van de beslistermijn, plus een aanvullende boete van €300,- voor het niet bijhouden van een inzichtelijke administratie.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van de onderneming gegrond vanwege overschrijding van de redelijke termijn en matigde de boete verder tot €14.063,20. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had vastgesteld dat de onderneming niet aan haar verantwoordingsplicht had voldaan, onder meer omdat de silo zuigleeg was en er geen aanwijzingen waren voor een bezinklaag.
In hoger beroep betoogde de onderneming dat de geheime marges niet tijdig openbaar waren gemaakt en dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar een mogelijke bezinklaag in de silo. Ook stelde zij dat fosfaatgehalten van twee vrachten zeugenmest onrealistisch waren en buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten. Het College volgde de onderneming niet in deze punten en bevestigde dat de marges tijdig waren gepubliceerd en dat de minister zorgvuldig had gehandeld.
Het College oordeelde ambtshalve dat de redelijke termijn was overschreden met ruim een jaar en matigde de boete daarom verder. De boete werd uiteindelijk vastgesteld op €13.334,56. De overige onderdelen van de aangevallen uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: Het College matigt de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelt deze vast op €13.334,56.