7.3Deze hoger beroepsgronden slagen niet.
7.4.1Het College is met de rechtbank van oordeel dat de minister de eigen H1-staat van de vennootschap buiten beschouwing mocht laten, omdat deze niet betrouwbaar is. Voor de stelling van de vennootschap dat om een andere reden die eigen H1-staat buiten beschouwing is gelaten, bestaat geen grond.
7.4.2Zoals hiervoor al overwogen moet de vennootschap aan de hand van haar administratie op elk moment inzichtelijk kunnen maken dat en naar wie aangevoerde meststoffen zijn afgevoerd, als deze niet in opslag zijn genomen. Als uit VDM’s blijkt dat meststoffen zijn aangevoerd, maar die zich niet meer in de opslag bevinden, moet dat verklaard kunnen worden. Het gaat er volgens de hiervoor genoemde totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14 van de Msw (blz. 40-41) om te voorkomen dat intermediairs zich goedkoop van mest ontdoen door deze buiten de boekhouding af te voeren (vergelijk ook onder 5.5 van de uitspraken van het College van 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:460 en ECLI:NL:CBB:2025:473). 7.4.3De verantwoording heeft op grond van artikel 14, tweede lid, van de Msw betrekking op de hoeveelheid fosfaat in de meststoffen. Deze wordt voor een intermediaire onderneming bepaald aan de hand van artikel 68, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit en artikel 94, derde lid, van de Uitvoeringsregeling. Op grond van artikel 68, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit wordt de opgeslagen hoeveelheid meststoffen bepaald op basis van het gewicht of het volume en het stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte komt overeen met de hoeveelheden die met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, genoemde formulier, respectievelijk in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers zijn berekend (artikel 94, derde lid, van de Uitvoeringsregeling).
7.4.4Het College stelt op basis van het rapport vast dat toezichthouders van de NVWA op 21 mei 2019 hebben geconstateerd dat de mestopslag zuigleeg was en dat de eigen H1-staat op die datum een negatieve voorraad dierlijke mest liet zien van 762.820 kg met daarin 8.198 kg fosfaat. Niets in wat de vennootschap heeft aangevoerd biedt grond voor de conclusie dat de toezichthouders niet hebben kunnen constateren dat die mestopslag toen zuigleeg was dan wel dat die constatering onjuist is. Met de minister is het College van oordeel dat genoemde negatieve voorraad niet kan overeenkomen met de feitelijke situatie dat de opslag zuigleeg was. Anders dan de vennootschap betoogt, moet op grond van artikel 94, derde lid, van de Msw niet alleen de hoeveelheid fosfaat, maar ook de hoeveelheid mest op de H1-staat overeenkomen met de feitelijke situatie. Dat, zoals de vennootschap aanvoert, de negatieve voorraad mest mogelijk is door vermenging van mest met regenwater, heeft zij, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Als de hoeveelheid mest in de mestopslag al eerder niet klopte met de administratie, had de vennootschap dit ook buiten de H1-staten om kunnen administreren, want daarvoor biedt artikel 46, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling de ruimte (vergelijk ook onder 5.10 van de uitspraken van het College van 16 september 2025, hiervoor aangehaald).
7.5.1Omdat, zoals uit het voorgaande volgt, de minister de eigen H1-staat van de vennootschap buiten beschouwing mocht laten, is aan de hand van de door de vennootschap geregistreerde VDM’s een berekening gemaakt (NVWA H1-staat) van de hoeveelheid fosfaat die op het moment van de controle op 21 mei 2019 in de mestsilo aanwezig zou moeten zijn. Met de rechtbank is het College van oordeel dat de minister daarbij als begindatum 11 april 2014 heeft kunnen hanteren, omdat de NVWA uit
street smartfoto’s uit de periode 2013 tot en met 2020 en uit de analyse van de VDM’s heeft geconcludeerd dat de mestopslag op die datum de meest lege stand had.
7.5.2Het College volgt de vennootschap niet in haar stelling dat onbegrijpelijk is dat de minister bij de beginvoorraad wel rekening houdt met een laag op de bodem, maar dat hij die laag bij de bepaling van de eindvoorraad negeert. Deze stelling miskent dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen (onder 6.3.8), zowel op het moment dat de mestopslag zuigleeg was op 11 april 2014 als op het moment dat deze zuigleeg was op 21 mei 2019 die eventuele laag van maximaal 140 ton niet is meegenomen in de berekeningen. Om die reden komt hier evenmin betekenis toe aan de door de vennootschap in haar brief van 14 juli 2025 genoemde afloopcontrole van 21 mei 2019 tot en met 1 oktober 2024. Dat, zoals de vennootschap aanvoert, het verschil in fosfaat kan worden verklaard door de aangroei van een bezinklaag in de mestopslag bovenop de laag waarvan de minister al uitgaat, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Met de rechtbank acht het College die aangroei ook niet aannemelijk, omdat alleen dunne mest met mestcode 41 in en uit de opslag wordt gereden en die mest nagenoeg geen bezinksel bevat. Ook wordt de mest in de opslag gemixt, waardoor een bezinklaag wordt voorkomen (vergelijk onder 5.7 van de uitspraken van het College van 16 september 2025, hiervoor aangehaald).
7.5.3Voor zover de vennootschap betoogt dat de minister bij de bepaling van de beginvoorraad onnauwkeurigheidscorrecties had moeten toepassen over de aan- en afvoeren van 11 april 2014 tot 1 januari 2019 omdat zij gebruik maakte van mengmonsters die leiden tot een grotere onnauwkeurigheid, slaagt dit betoog niet. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak en ook het College eerder heeft overwogen (onder 5.9 van de uitspraken van 16 september 2025, hiervoor aangehaald) is onderkend dat zich bij bemonstering en analyse van dierlijke meststoffen afwijkingen voordoen (zie Kamerstukken II 2004-2005, 29 930, nr. 3, blz. 47). De minister heeft toegelicht dat intermediaire ondernemingen grote aan- en afvoerstromen mest hebben waar afwijkingen bij bemonstering en analyse zich in de tijd en per bedrijf uitmiddelen. De ene keer pakt de fout ongunstig uit voor een bedrijf en de andere keer gunstig (zie ook Kamerstukken II 2004-2005, 29 930, nr. 3, blz. 47). Daarnaast heeft de minister toegelicht, zoals hiervoor onder 4.3 overwogen, dat hij in geval van controle op de naleving van artikel 14 van de Msw het marge-document ook toepast op intermediaire ondernemingen en dat het document betrekking heeft op de onnauwkeurigheid bij aan- en afvoer van vrachten meststoffen. Volgens de rechtbank heeft de minister echter voldoende toegelicht waarom hij die onnauwkeurigheidsmarges hier over de aan- en afvoeren in de periode van 11 april 2014 tot en met 1 januari 2019 niet heeft toegepast. Onder verwijzing naar genoemde totstandkomingsgeschiedenis van de Msw heeft de rechtbank met de minister aannemelijk geacht dat eventuele fouten in de aan- en afvoer over een periode van bijna vijf jaar uitgemiddeld zijn. De vennootschap heeft dit niet gemotiveerd bestreden.
7.5.4De minister heeft de onnauwkeurigheidsmarge als bedoeld in het marge-document wel toegepast op de aan- en afvoeren in de periode van 1 januari 2019 tot 21 mei 2019. Voor zover de vennootschap onder verwijzing naar het door haar in hoger beroep overgelegde stuk van statistisch onderzoeksbureau Statisticor betoogt dat de minister daarbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met meetfouten en onnauwkeurigheden waardoor de eindvoorraad te hoog is vastgesteld, slaagt dit betoog niet. De vennootschap heeft volstaan met een verwijzing naar het stuk van Statisticor, zonder te concretiseren dat en waarom hier van een grotere onnauwkeurigheid zou moeten worden uitgegaan dan de 10% waarvan de minister op basis van het marge-document is uitgegaan.