Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Mestdistributie [naam 1] B.V., te [woonplaats] (de vennootschap)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
street smartfoto’s uit de periode 2013 tot en met 2020 en uit de analyse van de VDM’s heeft geconcludeerd dat de mestopslag op die datum de meest lege stand had.
Aangevallen uitspraak
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Beginvoorraad
21 mei 2019 is die eventuele laag van maximaal 140 ton niet meegenomen in de berekeningen. De minister heeft voldoende toegelicht dat gelet op het soort mest in de mestopslag niet aannemelijk is dat er een grotere laag is achtergebleven of dat die laag gedurende de relevante jaren is gegroeid. Uit de bij de RVO geregistreerde VDM blijkt dat vanaf 2012 nagenoeg uitsluitend mestcode 41 in en uit de opslag is gereden. Dit betreft dunne fractie van gescheiden varkensmest na scheiding. De rechtbank acht aannemelijk dat die dunne fractie nagenoeg geen bezinksel bevat, omdat de vaste delen uit de varkensmest zijn gescheiden/gefilterd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit ook bevestigd in het NVWA-rapport. Uit het
NVWA-rapport kan worden afgeleid dat in de periode van 11 april 2014 (zuigleeg) tot en met 21 mei 2019 (zuigleeg) nagenoeg evenveel mest in de mestopslag is gegaan als dat eruit is gezogen. Gelet daarop acht de rechtbank een aangroei van de laag op de bodem niet aannemelijk. De rechtbank heeft daar ook bij in aanmerking genomen dat uit het NVWA rapport (p. 10 en bijlage 7 en 8) blijkt dat uit een analyse van een adviseur van eiseres
( [naam 4] ) kan worden afgeleid dat sprake was van een (nagenoeg) gelijke toe- en afvoer van dierlijke mest en daarom een constante laag op de bodem in die periode, zoals weergegeven in de hierna opgenomen tabel. […]
aan- en afvoer zich niet voordoet. In de tweede plaats heeft de minister ten onrechte geen waarborgen opgenomen over het voorkomen van opname van meststoffen in de boeteberekening als gevolg van historische verschillen en historische andere werkwijzen. In de derde plaats heeft de minister de verantwoordingsplicht ten onrechte beperkt tot een periode met uitsluitend afvoer en daarbij op de afvoer onjuiste marges toegepast. In de vierde plaats heeft de minister de eindvoorraad onjuist vastgesteld door op basis van een visuele waarneming te concluderen dat de mestopslag volledig leeg was.
street smartfoto’s uit de periode 2013 tot en met 2020 en uit de analyse van de VDM’s heeft geconcludeerd dat de mestopslag op die datum de meest lege stand had.