De exploitant van een biogasinstallatie kreeg een boete van €2.500,- opgelegd wegens het niet voldoen aan de registratie-eisen van bewakingsresultaten, wat een overtreding is van de Wet dieren en bijbehorende regelgeving. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de boete gematigd moest worden vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De exploitant voerde meerdere gronden aan, waaronder het ontbreken van een waarschuwing vooraf, schending van de hoorplicht, te late cautie en het niet wijzen op het recht op rechtsbijstand. Het College verwierp deze gronden, onder meer omdat de cautie tijdig was gegeven en er geen verklaring was afgelegd tijdens het verhoor die als bewijs kon dienen.
De overschrijding van de redelijke termijn werd vastgesteld vanaf het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Hoewel de procedure door het gedrag van de exploitant vertraagd was, was de totale duur van de procedure langer dan vier jaar, wat aanleiding gaf tot matiging van de boete met 10%. Het College vernietigde het deel van de beslissing over de hoogte van de boete, stelde de boete vast op €2.250,- en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.