Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen
Exportslachterij Family Beef B.V.,te [woonplaats] (onderneming)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop
Samenvatting
Overwegingen
,-.
animal welfare officer, die juist is aangesteld om het dierenwelzijn te verbeteren, overtredingen pleegt. Op de beelden zijn, zo stelt de minister, in totaal veertien overtredingen te zien. Over de betrokkenheid van de undercover-medewerker bij de overtredingen stelt de minister zich op het standpunt dat dit niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van de onderneming voor de naleving van de dierenwelzijnsregels door haar personeel. Voorts bestrijdt de minister dat het schorsingsbesluit onzorgvuldig is voor zover daarin nieuwe overtredingen op 28 en 29 juni 2021 zijn betrokken. Deze overtredingen hebben plaatsgevonden terwijl de onderneming onder verscherpt toezicht stond, door andere medewerkers dan die de onderneming al had geschorst naar aanleiding van de RTL-beelden. De bevindingen van de toezichthouders op 28 en 29 juni 2021 zijn vastgelegd in twee veterinaire verklaringen van 2 juli 2021. Dat de veterinaire verklaringen en de relazen van bevindingen zijn ondertekend op of na 2 juli 2021 maakt evenmin dat sprake is geweest van onzorgvuldigheid. Het is volgens de minister gebruikelijk dat het opstellen van rapporten van bevindingen enige tijd kost. Dit maakt de rapporten niet onbetrouwbaar. Tot slot stelt de minister dat hij de onderneming vanwege de vereiste spoed niet heeft gehoord alvorens het schorsingsbesluit te nemen.
animal welfare officer, is niet weersproken. Evenmin heeft de onderneming weersproken dat medewerkers zich aan het toezicht van de toezichthouders van de NVWA proberen te onttrekken. De onderneming heeft ook niet gemotiveerd bestreden dat, zoals in het relaas van bevindingen wordt geconstateerd, de handelingen van de medewerkers op de beelden veertien dierenwelzijnsovertredingen opleveren. Zij heeft slechts in algemene zin betoogd dat de beelden gemanipuleerd en daarom niet betrouwbaar zijn, maar heeft dit geenszins aannemelijk gemaakt. Verder acht het College het niet onzorgvuldig dat de minister het schorsingsbesluit heeft gebaseerd op een selectie van het totale beeldmateriaal. Dat de minister niet over al het ruwe beeldmateriaal beschikte dat de undercover-medewerker gedurende zijn dienstverband van vijf weken in het slachthuis heeft gemaakt, maakt niet dat de minister niet mocht handelen naar aanleiding van de beelden waar hij (al) wel over beschikte. De onderneming heeft verder gewezen op de rol van de undercover-medewerker op de beelden. Het gegeven echter dat hij ook overtredingen heeft gepleegd, doet niet af aan de handelingen van de (andere) negen medewerkers. Bovendien ontslaat dit de onderneming niet van haar verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat haar medewerkers, onder wie indertijd ook de undercover-medewerker, de regels over dierenwelzijn naleven. Verder ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat de undercover-medewerker zijn collega’s indertijd zou hebben beïnvloed om overtredingen te plegen, zoals de onderneming heeft gesuggereerd. Gezien het voorgaande ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het schorsingsbesluit niet mede mocht baseren op de desbetreffende beelden van Varkens in Nood. Van onzorgvuldig handelen door de minister op dit punt is geen sprake geweest.
terme de grâce) moeten gunnen om verbetering te laten zien. De onderneming heeft verder gewezen op de financiële schade die zij heeft geleden als gevolg van de schorsing en de impact hiervan op haar bedrijfsvoering.
animal welfare officermaakte meermalen deel uit van de groep vaste medewerkers die dierenwelzijnsovertredingen pleegde, terwijl een
animal welfare officerjuist als intern correctiemechanisme moet fungeren. Dit mechanisme functioneerde duidelijk niet naar behoren. Uit het feit dat gedurende het verscherpte toezicht opnieuw overtredingen werden gepleegd, heeft de minister de conclusie getrokken dat de al getroffen maatregelen niet het gewenste effect hadden. De minister wijst erop dat hij rekening heeft gehouden met de belangen van de onderneming door de slachthuiserkenning te schorsen maar het slachthuis niet permanent te sluiten. Door te kiezen voor schorsing van de slachthuiserkenning in plaats van sluiting, bleef het voor de onderneming mogelijk om werkzaamheden uit te voeren op basis van de andere erkenningen en registraties die op naam van de onderneming stonden. Ook met de ingangsdatum en -tijd van het besluit tot schorsing van de slachthuiserkenning stelt de minister rekening te hebben gehouden met de bedrijfsbelangen. Door het besluit pas op zaterdag 3 juli 2021 om 0.00 uur te laten ingaan, kon de onderneming de slachtwerkzaamheden van vrijdag 2 juli 2021 nog afronden en het weekend benutten voor het opstellen van een plan van aanpak, volgens de minister.
animal welfare officermeermalen overtredingen pleegt.
détournement de pouvoir. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst de onderneming op (passages uit) stukken, waaronder e-mails, die zij met een beroep op de Woo van de minister heeft verkregen.
détournement de pouvoir. Uit de door de onderneming aangehaalde passages uit de Woo-stukken kan niet worden afgeleid dat de minister het schorsingsbesluit met het oog op andere belangen of doelen heeft genomen dan waarvoor de hem toekomende handhavingsbevoegdheid is bedoeld. Dat de minister zich in de Tweede Kamer heeft uitgelaten over de zaak, naar aanleiding van vragen van Kamerleden over de uitzending van de videobeelden door RTL-Nieuws, betekent niet dat de minister door de Tweede Kamer onder druk is gezet. Het College is voorts van oordeel dat het feit dat de minister op de hoogte werd gehouden van de handhavingsprocedure door ambtenaren van de NVWA, niet betekent dat sprake is van strijd met artikel 3:3 van de Awb. Daarvoor is van belang dat de NVWA onder de verantwoordelijkheid van de minister opereert. Uit de correspondentie tussen deze ambtenaren en de minister kan geenszins worden afgeleid dat de minister opdracht heeft gegeven om het slachthuis koste wat kost voor langere tijd gesloten te houden. Het betoog slaagt niet.
animal welfare officer, in die zin dat deze het dierenwelzijn bevordert in plaats van aan schendingen van het dierenwelzijn meewerkt, is hierbij van belang. Uit gesprekken met de toezichthouders kwam volgens de minister bovendien naar voren dat weerstand bij dieren ontstaat om vooruit te lopen, als zij de situatie voor zich als gevaarlijk of onoverzichtelijk inschatten. De kans neemt toe dat dieren in dergelijke situaties achteruit lopen in plaats van vooruit en als gevolg hiervan in voor hen pijnlijke situaties terechtkomen. Door de infrastructuur van de stal aan te passen aan de behoeften van de specifieke diersoort, kan die kans worden verkleind. De minister stelt verder dat de onderneming ook de slachtsnelheid op zo'n manier kan aanpassen dat het dierenwelzijn is gewaarborgd. Het verlagen van de slachtsnelheid is hiervoor een passende maatregel. Door op zo'n werktempo te slachten dat geen dierenwelzijnsovertredingen plaatsvinden en voldoende tijd resteert om in onvoorziene situaties tijdig in te grijpen, vóórdat vermijdbare pijn en letsel ontstaat voor de dieren, kan de onderneming laten zien dat zij in staat is om te werken met inachtneming van de regelgeving. Omdat met bovengenoemde eisen van de onderneming wordt gevraagd dat zij de medewerkers een andere werkwijze aanleert, werkprocessen aanpast dan wel opstelt en het werktempo aanpast, vraagt de minister ook om een geleidelijke en gefaseerde opstart van het slachtproces te beschrijven, zodat de onderneming de mogelijkheid heeft om de werking van bedachte aanpassingen in de praktijk te toetsen en zo nodig tijdig te kunnen ingrijpen als dit anders uitpakt dan was bedacht. Dit biedt bovendien de toezichthouders de gelegenheid om te controleren of het dierenwelzijn met de bedachte aanpassingen voldoende is gewaarborgd, volgens de minister.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van de minister van 16 september 2022 voor zover daarbij het bezwaar tegen de brief van 28 juni 2021, waarin het verscherpte toezicht is meegedeeld, en tegen de brieven van 30 augustus 2021 en 3 december 2021, voor zover daarin het verscherpte toezicht is verlengd, ongegrond is verklaard en voor zover daarbij het bezwaar tegen de besluiten van 15 en 23 juli 2021 en van 13 augustus 2021 niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het bezwaar tegen de brief van 28 juni 2021, waarin het verscherpte toezicht is meegedeeld, en tegen de brieven van 30 augustus 2021 en 3 december 2021, voor zover daarin het verscherpte toezicht is verlengd, niet-ontvankelijk;
- verklaart het bezwaar tegen de besluiten van 15 en 23 juli 2021 en van 13 augustus 2021 ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de beslissing op bezwaar;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;